ECLI:NL:RVS:2026:4087

Raad van State

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.003248
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielzaak

Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen als kennelijk ongegrond, met een opdracht tot onmiddellijke vertrek en een inreisverbod. Na aanvullende besluiten en een uitspraak van de rechtbank die het beroep van verzoeker ongegrond verklaarde, is hoger beroep ingesteld. Verzoeker verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat het hoger beroep is beslist.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 16 juli 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de belangen van verzoeker worden beschermd gedurende de procedure. De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige behandeling van asielaanvragen en het voorkomen van onomkeerbare maatregelen voordat een definitieve uitspraak is gedaan.

Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

BRS.26.003248
Datum uitspraak: 16 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[betrokkene],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 juni 2026 in zaak nr. NL25.57275 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 november 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen als kennelijk ongegrond, hem opgedragen om onmiddellijk te vertrekken en terug te keren naar Somalië en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij aanvullend besluit van 25 november 2025 heeft de minister bepaald dat verzoeker ook op grond van een ‘removal order’ kan terugkeren naar China.
Bij aanvullend besluit van 28 april 2026 heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker alsnog afgewezen als ongegrond, hem opgedragen om binnen vier weken te vertrekken en het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod opgeheven.
Bij uitspraak van 23 juni 2026 heeft de rechtbank het tegen al deze besluiten door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026
392