ECLI:NL:RVS:2026:4087
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielzaak
Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen als kennelijk ongegrond, met een opdracht tot onmiddellijke vertrek en een inreisverbod. Na aanvullende besluiten en een uitspraak van de rechtbank die het beroep van verzoeker ongegrond verklaarde, is hoger beroep ingesteld. Verzoeker verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat het hoger beroep is beslist.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 16 juli 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de belangen van verzoeker worden beschermd gedurende de procedure. De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige behandeling van asielaanvragen en het voorkomen van onomkeerbare maatregelen voordat een definitieve uitspraak is gedaan.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.