ECLI:NL:RVS:2026:4116
Raad van State
- Hoger beroep
- M.M. Kaajan
- J. Gundelach
- J.A.W. Huijben
- Rechtspraak.nl
Weigering natuurvergunning melkveehouderij wegens onjuiste referentiesituatie stikstofdepositie
Appellant exploiteert een melkveehouderij en vroeg een natuurvergunning aan voor het houden van 110 melkkoeien en 40 stuks jongvee. Het college weigerde de vergunning omdat de referentiesituatie volgens hen ontleend moest worden aan een melding uit 1992, niet aan de melding uit 2013 die appellant gebruikte. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde dat de referentiesituatie correct was vastgesteld.
Appellant stelde dat hij pas na de uitspraak over het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in 2019 vergunningplichtig werd en dat het rechtszekerheidsbeginsel hem recht gaf op een latere referentiedatum. De Afdeling bestuursrechtspraak wijzigde haar rechtspraak over intern salderen en oordeelde dat de referentiesituatie ontleend moet worden aan de milieutoestemming die gold op het moment waarop artikel 6 van Pro de Habitatrichtlijn van toepassing werd.
De Afdeling verwierp het beroep van appellant en oordeelde dat het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel niet in de weg staan aan de toepassing van de vaste rechtspraak. Ook werd geoordeeld dat de weigering van de vergunning niet in strijd is met het recht op eigendom zoals beschermd in het EVRM en het EU-Handvest, omdat de inbreuk gerechtvaardigd is door het legitieme doel van natuurbescherming.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er is geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de natuurvergunning bevestigd.