ECLI:NL:RVS:2026:4131

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
202205388/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 5.1 bestemmingsplanArt. 5.5 bestemmingsplanArt. 2.17 AbmArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over handhaving geluidsoverlast en bestemmingsplan Central Harley Davidson

Wijkvereniging De Herven verzocht het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast veroorzaakt door Central Harley Davidson (CHD). Het college wees dit verzoek in 2020 af, waarna de wijkvereniging bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat het organiseren van recreatieve bijeenkomsten op het terrein van CHD in strijd is met het bestemmingsplan en vernietigde het besluit van het college.

CHD en het college gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak, waarbij onder meer werd betwist dat sprake is van recreatief medegebruik en dat de verkoop van accessoires in strijd is met het bestemmingsplan. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat recreatief medegebruik niet is toegestaan, maar dat de verkoop van motoronderdelen en accessoires wel is toegestaan binnen het bestemmingsplan. Daarnaast werd het begrip laad- en losactiviteiten in het kader van geluidsoverlast verduidelijkt, waarbij geluid van motoren die niet direct met laden en lossen te maken hebben, wel moet worden betrokken.

Het college heeft in een nieuw besluit uit 2023 het bezwaar van de wijkvereniging gegrond verklaard en besloten handhavend op te treden tegen recreatief medegebruik, maar niet tegen de verkoop van accessoires. Ook zijn maatwerkvoorschriften opgelegd om geluidsoverlast te beperken. De Raad van State verklaarde de beroepen van CHD en het college ongegrond, het hoger beroep van de wijkvereniging gegrond, en bevestigde de uitspraak van de rechtbank met verbeterde motivering. Het college is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de wijkvereniging.

Uitkomst: Het college mag handhavend optreden tegen recreatief medegebruik en geluidsoverlast, maar niet tegen de verkoop van accessoires; proceskosten worden aan de wijkvereniging toegekend.

Uitspraak

202205388/1/R2.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1.       Wijkvereniging de Herven, gevestigd in 's-Hertogenbosch,
2.       Central Harley Davidson, gevestigd in 's-Hertogenbosch,
3.       het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 12 augustus 2022 in zaak nr. 21/117 in het geding tussen:
Wijkvereniging de Herven
en
het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.
Procesverloop
Bij besluit van 31 augustus 2020 heeft het college het verzoek van wijkvereniging De Herven (hierna: de wijkvereniging) om handhavend op te treden tegen de geluidsoverlast die zij ondervindt van Central Harley Davidson (hierna: CHD) afgewezen.
Bij besluit van 3 december 2020 heeft college het door de wijkvereniging  daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 augustus 2022 heeft de rechtbank het door de
wijkvereniging daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit
van 3 december 2020 vernietigd en het college opgedragen een nieuw
besluit op bezwaar te nemen.
Tegen deze uitspraak hebben het college, CHD en de wijkvereniging hoger beroep ingesteld.
CHD heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De wijkvereniging en het college hebben nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 19 december 2023 heeft het college opnieuw op het bezwaar van de wijkvereniging beslist, het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 31 augustus 2020 herroepen. Het college heeft besloten om alsnog handhavend op te treden tegen recreatieve bijeenkomsten op het perceel. Het college heeft besloten om niet handhavend op te treden tegen de verkoop van aanverwante artikelen. Daarnaast heeft het college aan CHD een aantal maatwerkvoorschriften opgelegd ter voorkoming van directe en indirecte hinder.
De wijkvereniging en CHD hebben gronden ingediend tegen het besluit van 19 december 2023.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld van 18 augustus 2025, waar de wijkvereniging, vertegenwoordigd door mr. J.W. Weehuizen, advocaat te 's-Hertogenbosch, vergezeld door mr. P.J.L. van Berge Henegouwen, [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en CHD, vertegenwoordigd door mr. drs. H.A. Pasveer, advocaat te Enschede, vergezeld door [gemacgtigde C] en [gemachtigde D], zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving is gedaan op 13 juli 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Mafraba Motors B.V., mede handelend onder de naam Central Harley Davidson, exploiteert een motorzaak aan de Hervensebaan 13c in ‘s-Hertogenbosch, waar motoren en accessoires worden verkocht en motoren van het merk Harley Davidson worden gerepareerd en onderhouden. Aan de overzijde van de Hervensebaan ligt woonwijk De Herven. Wijkvereniging De Herven komt op voor de belangen van omwonenden. De wijkvereniging heeft het college verzocht om handhavend op te treden omdat de omwonenden geluidsoverlast ervaren van het geluid van motoren en activiteiten die op het terrein van CHD worden georganiseerd. Het college heeft bij het besluit van 31 augustus 2020 geweigerd om handhavend op te treden. Dit besluit is bij het besluit op bezwaar van 3 december 2020 in stand gelaten. De wijkvereniging heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
Aangevallen uitspraak
3.       De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat het organiseren van bijeenkomsten door een motorrijdersvereniging op het terrein van CHD in strijd is met het bestemmingsplan. Dit geldt ook voor het toelaten dat de vereniging bijeenkomsten organiseert op haar terrein, al is het om te verzamelen voor een rit op de motor, of recreatieve activiteiten die CHD zelf organiseert. Het gaat hier volgens de rechtbank om recreatief medegebruik wat op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan.
Daarnaast handelt CHD volgens de rechtbank in strijd met het bestemmingsplan door ook accessoires te verkopen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat geluidsoverlast veroorzaakt door motoren die zich niet op het terrein van CHD bevinden niet is toe te rekenen aan CHD. Het geluid veroorzaakt door personeel, monteurs en klanten op het terrein van CHD is echter wel aan CHD toe te rekenen. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld welke handelingen vallen onder ‘laad- en losactiviteiten’, aangezien geluiden die daardoor worden veroorzaakt, niet worden betrokken bij de vaststelling van de grenswaarden voor het maximale toelaatbare geluid op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Abm).
Gronden van het hoger beroep
Recreatief medegebruik
4.       CHD betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van recreatief medegebruik. De toertochten worden niet door CHD, maar door Harley Owners Group georganiseerd. Het parkeerterrein van CHD wordt daarbij als startpunt gebruikt, omdat de deelnemers deze locatie kennen.
4.1.    CHD herhaalt in hoger beroep de standpunten over het recreatief medegebruik die het in beroep heeft ingenomen. De rechtbank is gemotiveerd op die standpunten ingegaan. CHD heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die standpunten in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank onder 4.1 en 4.3 van de aangevallen uitspraak.
Het betoog slaagt niet.
Verkoop van accessoires
5.       CHD en het college betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de verkoop van accessoires door CHD niet in strijd is met het bestemmingsplan. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat op het perceel de functieaanduiding "specifieke vorm van detailhandel-abc" rust op grond waarvan detailhandel in onder meer motoren is toegestaan. Het bestemmingsplan staat ingevolge artikel 5.1, onder a), van de planregels ter plaatse een bedrijf toe van categorie 3.1 van de "Staat van Bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein", zoals opgenomen in Bijlage 1 bij het bestemmingsplan. Hierin wordt "handel in auto- en motorfietsonderdelen en accessoires" genoemd. Gelet daarop is detailhandel in auto- en motorfietsonderdelen en accessoires toegestaan, aldus CHD en het college.
De wijkvereniging betoogt dat het begrip "accessoire" eng dient te worden uitgelegd en dat CHD alleen accessoires mag verkopen als die gelijktijdig met een motor worden aangeschaft. Volgens haar hebben niet alle artikelen die CHD verkoopt een connectie met de verkoop van motorfietsen.
5.1.    Tussen partijen is niet in geschil dat de verkoop en het onderhoud van motoren door CHD in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of de rechtbank al dan niet terecht heeft overwogen dat detailhandel in accessoires zoals bijvoorbeeld motorkleding, helmen en andere motoraccessoires in strijd is met de bestemmingsplanregels, terwijl de verkoop van motoronderdelen volgens de rechtbank daarmee niet in strijd is.
5.2.    Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen (Treurenburg, Maaspoort, Hambakenwetering, Brabantpoort, De Brand, De Herven)". Het perceel heeft de enkelbestemming "Bedrijventerrein" en de functieaanduidingen "specifieke vorm van detailhandel - abc" en "bedrijf van categorie 3.1". In artikel 5.1, aanhef en onder k, van de planregels staat: "De voor Bedrijventerrein aangewezen gronden zijn bestemd voor: ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - abc": tevens detailhandel in auto's, boten, caravans, motoren, banden, (landbouw)werktuigen en machines". In artikel 5.1, aanhef en onder a, staat: "De voor Bedrijventerrein aangewezen gronden zijn bestemd voor: ter plaatse van de aanduiding "bedrijf van categorie 3.1": bedrijven in de categorieën 1 tot en met 3.1 van de bij deze regels als Bijlage 1 behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten - bedrijventerrein". In die bijlage is onder SBI-code 503, 504 opgenomen: "Handel in auto- en motorfietsonderdelen en -accessoires". Daaraan is categorie 2 toegekend. Hoewel de rechtbank terecht overweegt dat uit artikel 5.5, onder b, onderdeel 4, van de planregels volgt dat detailhandel in algemene zin in strijd is met het bestemmingsplan, gaat het in die bepaling om detailhandel, anders dan bedoeld in artikel 5.1. Omdat de handel in motorfietsonderdelen en -accessoires valt binnen de categorieën 1 tot en met 3.1, als bedoeld in artikel 5.1 van het bestemmingsplan, is die vorm van detailhandel ter plaatse dan ook toegestaan. Anders dan de wijkvereniging betoogt, bestaat geen aanleiding om deze bepaling beperkt uit te leggen in de zin dat de verkoop van accessoires alleen dan is toegestaan indien gelijktijdig een motor wordt aangeschaft. Verder is niet gebleken dat CHD op dit moment accessoires verkoopt die geen verband houden met de motorbranche.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de verkoop van accessoires door CHD in strijd is met het bestemmingsplan. Het betoog van het college en CHD slaagt. Het betoog van de wijkvereniging slaagt niet.
Geluidsoverlast
6.       Over de geluidsoverlast betoogt CHD dat uit het geluidsonderzoek van 5 november 2020 volgt dat de grenswaarden voor het maximaal toelaatbare geluid niet worden overschreden. Ook moeten alle verkeersbewegingen van bezoekers aan CHD worden geschaard onder het begrip laden en lossen. Tot slot wijst CHD erop dat zij borden heeft geplaatst en flyers heeft uitgedeeld om haar klanten te vragen rustig te rijden, geen onnodig geluid te maken en via een andere weg het terrein te verlaten om zo onnodige geluidsoverlast te voorkomen.
De wijkvereniging betoogt daarentegen dat de rechtbank een te ruime uitleg heeft gegeven aan het begrip laad- en losactiviteiten. Volgens de wijkvereniging dient elk geluid dat afkomstig is van het terrein van CHD aan CHD te worden toegerekend.
6.1.    De Afdeling constateert dat partijen niet zijn opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2 dat het geluid van buiten het terrein van CHD niet aan CHD kan worden toegerekend. Maar partijen zijn wel verdeeld over de vraag wat onder laad- en losactiviteiten moet worden verstaan. Die vraag is relevant omdat ingevolge artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Abm gelezen in samenhang met artikel 2.17, eerste lid, onder b, van het Abm de daargenoemde grenswaarden voor het maximale geluidniveau niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten tussen 07:00 en 19:00 uur.
6.2.    De Afdeling volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat de vraag of sprake is van laad- en losactiviteiten onder meer moet worden beantwoord door onderscheid te maken tussen de gevallen waarin een particuliere klant daadwerkelijk een product heeft aangeschaft of een motor heeft laten repareren door CHD, of dat een klant geen product of dienst heeft afgenomen. In het eerste geval zouden deze handelingen volgens de rechtbank vallen onder ‘laden en lossen’, tenzij het gaat om een klein onderdeel. In het tweede geval is volgens de rechtbank geen sprake van laden en lossen.
6.3.    In het Abm is niet gedefinieerd welke activiteiten onder laad- en losactiviteiten vallen. Ook in de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is geen omschrijving gegeven van wat onder laad- en losactiviteiten is te verstaan. Wel is vermeld dat onder laad- en losactiviteiten ook aanverwante activiteiten worden verstaan zoals het slaan van autoportieren en het starten, aanrijden, manoeuvreren en wegrijden van de voertuigen (nota van toelichting, blz. 203; Stb. 2007 415). Anders dan de rechtbank heeft overwogen is de Afdeling van oordeel dat het wegrijden op een net gekochte of gerepareerde motor niet onder laad- en losactiviteiten valt. Ook als een klant op een motor komt aanrijden om deze ter reparatie aan te bieden, valt dit anders dan de rechtbank heeft geoordeeld niet onder laad- en losactiviteiten. Het geluid dat hierdoor wordt veroorzaakt, moet dus wel worden betrokken bij de beoordeling of wordt voldaan aan de grenswaarden voor het maximale geluidsniveau als bedoeld in voormelde artikelen van het Abm. De rechtbank heeft bij de beoordeling of geluid al dan niet aan CHD moet worden toegerekend, dan ook ten onrechte relevant geacht of een bezoeker van CHD wel of geen product koopt of een dienst afneemt.
Het betoog van de wijkvereniging dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij de uitleg van het begrip "laad- en losactiviteiten", slaagt dan ook.
Overig
7.       Het college betoogt dat de rechtbank in de uitspraak ten onrechte diverse oplossingsrichtingen heeft opgenomen, omdat een aantal van de genoemde oplossingen volgens het college juridisch niet haalbaar is. De wijkvereniging betoogt daarentegen dat de rechtbank het college juist concretere aanwijzingen had moeten geven om handhavend op te treden tegen recreatief medegebruik en om de geluidsoverlast tegen te gaan. De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond niet slaagt, alleen al omdat het gaat om door de rechtbank gedane suggesties die niet aan een eigen beoordeling door het college in de weg staan.
Conclusie hoger beroep
8.       Gelet op wat hiervoor onder 5.2 is overwogen, is de grond van het college en CHD over de verkoop van accessoires terecht naar voren gebracht. Maar dit leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat de rechtbank het besluit van 3 december 2020 op andere gronden terecht heeft vernietigd.
Het hoger beroep van het college en CHD is dan ook ongegrond. Voor wat betreft het oordeel van de rechtbank over het begrip ‘laad- en losactiviteiten’ heeft de rechtbank een onjuiste maatstaf gehanteerd. Het hoger beroep van de wijkvereniging is dan ook gegrond. Maar dit leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat het hoger beroep van de wijkvereniging niet is gericht tegen de beslissing van de rechtbank, maar alleen tegen de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen.
De Afdeling zal de aangevallen uitspraak daarom bevestigen, met verbetering van de gronden waarop deze rust.
Het besluit van 19 december 2023
9.       Bij besluit van 19 december 2023 heeft het college ter uitvoering van de aangevallen uitspraak opnieuw beslist op het door de wijkvereniging gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
Bij het besluit van 19 december 2023 heeft het college het bezwaar van de wijkvereniging gegrond verklaard en het besluit van 31 augustus 2020 herroepen. Het college heeft besloten om niet handhavend op te treden tegen de verkoop van aanverwante artikelen, niet zijnde de detailhandel in motoren en losse motoronderdelen. Het college heeft in het besluit aangegeven dat CHD een aanvraag om een omgevingsvergunning kan indienen. Het college heeft verder besloten om wel handhavend op te treden met oplegging van een last onder dwangsom tegen het gebruik van het pand en perceel in strijd met het bestemmingsplan door het organiseren van recreatieve bijeenkomsten op het perceel zelf dan wel het laten plaatsvinden van recreatieve bijeenkomsten van en/of voor motorrijders op het terrein van het bedrijf. Verder heeft het college besloten om aan CHD een aantal maatwerkvoorschriften op te leggen ter voorkoming van directe en indirecte hinder.
10.     De wijkvereniging betoogt dat het college ten onrechte niet optreedt tegen de verkoop van accessoires, terwijl die verkoop in strijd zou zijn met het bestemmingsplan.
De Afdeling overweegt dat gelet op wat hiervoor onder rechtsoverweging 5.2 is geoordeeld, de handel in motorfietsonderdelen en -accessoires door CHD niet in strijd is met het bestemmingsplan. Anders dan de wijkvereniging betoogt, kan het college hiertegen dan ook niet handhavend optreden. CHD hoeft om die reden ook geen aanvraag in te dienen voor een omgevingsvergunning om in afwijking van het bestemmingsplan alsnog de verkoop van dergelijke onderdelen en accessoires mogelijk te maken.
11.     CHD betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten om een last onder dwangsom op te leggen vanwege het organiseren of het toestaan van recreatief medegebruik van het perceel. CHD voert daartoe aan dat zij niet zelf toertochten organiseert, maar dat andere verenigingen, zoals de Harley Owners Group, het terrein alleen als startpunt van toertochten gebruiken en dat daarmee geen sprake is van recreatief medegebruik.
Uit wat hiervoor onder rechtsoverweging 4.1 is overwogen, volgt dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat een dergelijk gebruik van het perceel weldegelijk als recreatief medegebruik moet worden beschouwd en dat het bestemmingsplan dit gebruik niet toestaat. Daarbij is niet van belang wie deze toertochten organiseert. Omdat CHD geen andere redenen heeft aangevoerd waarom ten onrechte een last onder dwangsom is opgelegd, slaagt deze grond niet.
12.     De wijkvereniging betoogt daarnaast dat het college ten onrechte niet handhavend optreedt tegen het "Open House Weekend" dat tweemaal per jaar op het perceel wordt georganiseerd. Volgens de wijkvereniging moeten dergelijke bijeenkomsten in het geheel verboden worden.
12.1.  Het college heeft in het besluit van 19 december 2023 besloten om een last onder dwangsom op te leggen vanwege het organiseren of het toestaan van recreatief medegebruik van het perceel. Hieronder wordt volgens het college niet begrepen het door het bedrijf twee maal per jaar, in het voorjaar en in het najaar, organiseren van een "Open House Weekend". Het "Open House Weekend" is bedoeld als een vorm van klantenbinding, gerelateerd aan het motorseizoen en gericht op de verkoop van motoren en accessoires en daarmee niet als recreatief medegebruik.
Naar het oordeel van de Afdeling is een dergelijke opendeurenweekend als passend binnen de bestemming aan te merken. Het college heeft dan ook terecht afgezien van handhavend optreden tegen het "Open House Weekend".
Het betoog slaagt niet.
13.     Onder punt 4 van het besluit heeft het college diverse maatwerkvoorschriften opgelegd aan CHD met het oog op het terugdringen van geluidsoverlast. CHD heeft reeds uitvoering gegeven aan de maatwerkvoorschriften en komt alleen op tegen voorschrift h, op grond waarvan het parkeerterrein aan de voorzijde van de inrichting niet gebruikt mag worden voor proefritten. De wijkvereniging betoogt dat aanvullende voorschriften, zoals het gebruik maken van een verkeersregelaar, moeten worden opgenomen om geluidsoverlast tot een minimum te beperken.
13.1.  Zoals op zitting door de wijkvereniging is erkend, is de geluidsoverlast afgenomen door de invoering van onder meer de maatwerkvoorschriften. Op initiatief van CHD is bovendien door Nelissen Ingenieursbureau een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek van 11 december 2023 volgt dat wanneer de maatwerkvoorschriften in acht worden genomen, geen sprake is van overschrijding van de maximale toegestane geluidsnormen en een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd voor de omliggende woningen. In het geluidsonderzoek van 11 december 2023 is geen toepassing gegeven aan de te ruime uitleg van het begrip ‘laad- en losactiviteiten’ van de rechtbank, maar zijn alleen de geluiden van vier bestelwagens en twee vrachtwagens onder het begrip ‘laad- en losactiviteiten’ geschaard. De verkeersbewegingen van bezoekers per motor en auto zijn wel betrokken in de berekening of de maximale geluidsnormen worden overschreden. Voormeld geluidsrapport en de conclusie daarvan zijn aan het besluit van 19 december 2023 ten grondslag gelegd. De wijkvereniging is niet tegen de conclusie van het akoestisch rapport van 11 december 2023 opgekomen. Voor zover de wijkvereniging aanvoert dat aanvullende maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld, overweegt de Afdeling dat deze procedure gaat over het verzoek om handhaving tegen geluidsoverlast. De Afdeling komt dan ook niet toe aan een beoordeling van het betoog over het stellen van nadere maatwerkvoorschriften.
Verder leest de Afdeling het maatwerkvoorschrift h zo, dat op het parkeerterrein aan de voorzijde van de inrichting als zodanig geen proefritten mogen worden gehouden. Dat laat onverlet dat normaal gebruik van het parkeerterrein wel is toegestaan en dat het parkeerterrein wel gebruikt mag worden als start- en eindpunt van een proefrit. CHD heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat zij reeds conform die uitleg handelt en proefritten als zodanig niet op het parkeerterrein plaatsvinden.
Het betoog slaagt niet.
14.     Gelet op het voorgaande zijn de beroepen tegen het besluit 19 december 2023 ongegrond.
Proceskosten
15.     Het college moet de proceskosten in hoger beroep van de wijkvereniging vergoeden.
16.     De wijkvereniging heeft op de zitting verzocht om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt. Nu zij eerst na de beslissing op bezwaar een verzoek om vergoeding van deze kosten heeft gedaan, komen deze kosten alleen al daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart de hoger beroepen van Central Harley Davidson en het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch ongegrond;
II.       verklaart het hoger beroep van Wijkvereniging de Herven gegrond;
III.      bevestigt de aangevallen uitspraak;
IV.     verklaart de beroepen van Wijkvereniging de Herven en Central Harley Davidson tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch van 19 december 2023 ongegrond;
V.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch tot vergoeding van bij Wijkvereniging de Herven in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van
’s-Hertogenbosch aan Wijkvereniging de Herven het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 365,00.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. G.O. van Veldhuizen, in tegenwoordigheid van mr. S. Duyster, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
664