ECLI:NL:RVS:2026:4133

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
202501509/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 9.1 WhtArt. 26 PwArt. 3.1 Uitvoeringsreglement Pensioenfonds VervoerArt. 8:51d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Raad van State wijst tussenuitspraak over opeisbaarheid pensioenpremies in toeslagenaffaire

Appellanten, erkende gedupeerden van de toeslagenaffaire, verzochten de minister van Financiën om overname van een schuld van €97.001 aan Pensioenfonds Vervoer, bestaande uit niet-afgedragen pensioenpremies van een koeriersbedrijf. De minister wees de aanvraag af omdat de schuld volgens hem niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was, aangezien premienota's pas na die datum vervielen.

De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de minister de hardheidsclausule niet had beoordeeld, maar stelde ook dat de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. Appellanten gingen in hoger beroep en betoogden dat het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 betekent dat de schuld opeisbaar is op het uiterste betalingstijdstip volgens artikel 26 van Pro de Pensioenwet.

De Raad van State bevestigde dit standpunt en stelde dat de premienota's, hoewel laat verzonden, geacht moeten worden opeisbaar te zijn op het uiterste betalingstijdstip. Hierdoor is een deel van de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar en komt dit voor overname in aanmerking. De minister moet het besluit van 24 april 2025 herzien en per premienota beoordelen of deze aan de opeisbaarheidscriteria voldoet.

Uitkomst: De Raad van State bepaalt dat een deel van de pensioenpremies vóór 1 juni 2021 opeisbaar is en draagt de minister op het besluit te herzien.

Uitspraak

202501509/1/A2.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 februari 2025 in zaak nr. 23/7145 in het geding tussen:
[appellanten]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 13 februari 2023 heeft de minister een aanvraag van [appellanten] om overname van een private schuld afgewezen.
Bij besluit van 18 september 2023 heeft de minister het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 september 2023 vernietigd en de minister opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 24 april 2025 heeft de minister het bezwaar van [appellanten] opnieuw ongegrond verklaard.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellanten] hebben gronden ingediend tegen het besluit van 24 april 2025.
[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 april 2026, waar [appellant B], bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S. Akkas en mr. A.R. Kandhai, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
2.       In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt dat het bij schulden die worden overgenomen moet gaan om geldschulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3.       [appellanten] zijn erkende gedupeerden van de toeslagenaffaire. Zij hebben de minister verzocht om overname van een schuld van € 97.001,00 aan Pensioenfonds Vervoer. Dit bedrag is samengesteld uit premienota’s over de pensioenpremies die niet zijn afgedragen door de eenmanszaak van [appellant A] [bedrijf], een koeriersbedrijf.
Besluitvorming
4.       De minister heeft de aanvraag om overname van de schuld afgewezen op de grond dat de schuld niet opeisbaar is geworden vóór 1 juni 2021 en daardoor niet aan het in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht genoemde vereiste voldoet. Een aantal premienota’s dateert weliswaar van 26 mei 2021, maar die hebben als vervaldatum 9 juni 2021. De schuld is volgens de minister pas opeisbaar na verloop van de vervaldatum. De andere premienota’s dateren van na 1 juni 2021.
Uitspraak van de rechtbank
5.       De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan het vereiste dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. De vervaldata van alle premienota’s liggen immers na deze datum. Dat deelname aan het pensioenfonds wettelijk verplicht is, maakt niet dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Dat volgt ook uit artikel 3.1, vijfde lid, van het Uitvoeringsreglement Pensioenfonds Vervoer, in werking getreden op 1 januari 2010 en voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2024 (Uitvoeringsreglement), waarin staat dat een werkgever de premie binnen veertien dagen na ontvangst van de premienota moet betalen.
6.       De rechtbank heeft verder geoordeeld dat, hoewel [appellanten] in de bezwaarfase niet expliciet een beroep op de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht hebben gedaan, de minister in dit geval de eventuele toepasselijkheid daarvan wel had moeten beoordelen. Door dit niet te doen, is het besluit op bezwaar niet zorgvuldig voorbereid en niet toereikend gemotiveerd. Daarbij heeft de rechtbank onder meer meegewogen dat [appellanten] kort voor de datum van 1 juni 2021 zijn geconfronteerd met vijf premienota’s die betrekking hebben op pensioenpremies over eerdere jaren. Normaal gesproken zouden die eerder zijn verzonden, waardoor de vorderingen eerder opeisbaar zouden zijn geworden. Om deze reden heeft de rechtbank het besluit van 18 september 2023 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Beoordeling in hoger beroep
7.       [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. De gronden zijn op de zitting toegespitst op de vraag of het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:423 (over het tijdstip van opeisbaarheid van pensioenpremies), betekent dat de schuld van [appellanten] opeisbaar is geworden op het moment van het uiterste tijdstip van betaling als bedoeld in artikel 26 van Pro de Pensioenwet (Pw) en daarmee vóór 1 juni 2021.
8.       Artikel 26 van Pro de Pw luidt:
"In de uitvoeringsovereenkomst wordt vastgelegd hoe de betaling van de premies door de werkgever aan de pensioenuitvoerder geschiedt, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. een werkgever voldoet de werkgeverspremie en de op het loon van de werknemer ingehouden werknemerspremie aan de pensioenuitvoerder uiterlijk binnen:
1˚. twee maanden na afloop van elke maand waarover de premie verschuldigd is indien de pensioenuitvoerder op basis van actuele loonsomgegevens zijn administratie voert; of
2˚. een maand na afloop van elk kwartaal waarover de premie verschuldigd is;
b. wanneer de premie op basis van een langere termijn dan een kwartaal wordt vastgesteld en in rekening gebracht, is deze termijn ten hoogste gelijk aan een jaar en voldoet de werkgever uiterlijk binnen een maand na afloop van elk kwartaal een vierde gedeelte van de door hem op basis van zijn eigen bijdrage verschuldigde jaarpremie op basis van een schatting van de pensioenuitvoerder en de op het loon van de werknemer ingehouden werknemerspremie, aan de pensioenuitvoerder; en
c. de totale jaarpremie, bestaande uit de werkgeverspremie en de werknemerspremies, wordt uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar voldaan aan de pensioenuitvoerder."
Artikel 3.1, eerste lid, van het Uitvoeringsreglement luidt:
"Een werkgever betaalt elke maand 1/12 van de premie per jaar, of elke vier weken 1/13 van de premie per jaar, afhankelijk van de verloningsperiode van de werkgever. Deze periode waarop een premie betrekking heeft (maand of vier weken) noemen we een 'termijn'. De werkgever betaalt de premie voor iedere werknemer die bij Pensioenfonds Vervoer pensioen opbouwt."
Artikel 3.1, vijfde lid, van het Uitvoeringsreglement luidt:
"De werkgever betaalt de premie binnen 14 dagen na ontvangst van de premienota. Pensioenfonds Vervoer stuurt de premienota op tijd op. De verzending vindt plaats volgens een schema dat het bestuur ieder jaar vaststelt."
8.1.    Uit het arrest van de Hoge Raad, onder 3.2.3 tot en met 3.2.7, volgt dat wanneer de werkgever voldoet aan de voorwaarden voor verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds, er per periode waarover de premie verschuldigd is van rechtswege een vordering ontstaat van het bedrijfstakpensioenfonds op de werkgever tot betaling van deze premie. Deze vordering is opeisbaar op het tijdstip van betaling dat in het uitvoeringsreglement voor die vordering is bepaald, binnen de door artikel 26 van Pro de Pw gestelde grenzen. Wanneer dat tijdstip afhankelijk is gesteld van een handeling van de pensioenuitvoerder, zoals het verzenden van een premienota, en die handeling achterwege is gebleven, wordt de vordering geacht opeisbaar te zijn geworden op het uiterste tijdstip van betaling van de premie, bedoeld in artikel 26 van Pro de Pw.
8.2.    In dit geval is het tijdstip van betaling van de premie in artikel 3.1, vijfde lid, van het Uitvoeringsreglement afhankelijk gesteld van het verzenden van een premienota door het Pensioenfonds. Vast staat dat het Pensioenfonds de premienota’s voor de jaren 2017 tot en met 2020 op 26 mei 2021 heeft verzonden en dus in afwijking van artikel 26 van Pro de Pw en niet binnen de in het Uitvoeringsreglement bepaalde termijn.
8.3.    Op de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het arrest van de Hoge Raad in dit geval niet van toepassing is, omdat de pensioennota’s uiteindelijk wel zijn verzonden, waardoor geen sprake is van het achterwege blijven van een handeling van de pensioenuitvoerder. Om die reden moet volgens de minister voor het beoordelen van de opeisbaarheid van de vervaldata van de premienota’s worden uitgegaan. De Afdeling ziet zich daarom voor de vraag gesteld of het arrest van de Hoge Raad van toepassing is op de onderhavige situatie, waarin wel premienota’s zijn verzonden.
8.4.    De Afdeling beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daarover als volgt. Vast staat dat de premienota’s over de jaren 2017 tot en 2020 pas één tot vier jaar na afloop van de betreffende premieperiode zijn verzonden. Een dergelijk tijdsverloop overschrijdt ruimschoots de in artikel 3.1, vijfde lid, van het Uitvoeringsreglement bepaalde termijn en verdraagt zich niet met de in artikel 26 van Pro de Pw besloten liggende begrenzing van de termijn van betaling. Wanneer wordt aangenomen dat de omstandigheid dat de premienota’s uiteindelijk wel zijn verzonden en daarmee alsnog de vervaldata van de premienota’s bepalend zouden zijn voor de opeisbaarheid ervan, zou dat ertoe leiden dat de in artikel 26 van Pro de Pw gestelde grenzen hun betekenis verliezen en afbreuk wordt gedaan aan de rechtszekerheid van de werkgever. Een dergelijke uitleg is niet verenigbaar met het doel en de strekking van artikel 26 van Pro de Pw zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat wat de Hoge Raad in het arrest van 21 maart 2025 heeft geoordeeld over de opeisbaarheid van premienota’s in het onderhavige geval niet van toepassing is.
8.5.    Dit betekent dat in dit geval de premienota’s moeten worden geacht opeisbaar te zijn geworden op het uiterste tijdstip van betaling als bedoeld in artikel 26 van Pro de Pw. Uit artikel 26 van Pro de Pw volgt dat een maandelijkse premie uiterlijk binnen twee maanden na afloop van elke maand waarover de premie verschuldigd is moet worden betaald, een kwartaalpremie uiterlijk binnen een maand na afloop van het betreffende kalenderkwartaal en een totale jaarpremie uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het betreffende kalenderjaar.
8.6.    De Afdeling stelt vast dat toepassing van artikel 26 van Pro de Pw ertoe leidt dat in ieder geval een deel van de door [appellanten] overgelegde pensioennota’s vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden en dat daarmee in ieder geval een deel van de schuld voor overname in aanmerking komt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
8.7.    Het betoog slaagt. Dat betekent dat de rechtbank het besluit van 18 september 2023 terecht heeft vernietigd en de minister terecht heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Nader besluit van 24 april 2025
9.       Bij besluit van 24 april 2025 heeft de minister, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op het bezwaar van [appellanten] beslist. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van Pro de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
10.     De Afdeling stelt vast dat [appellanten] geen gronden hebben aangevoerd tegen de beoordeling van de minister in het besluit van 24 april 2025 dat er in het geval van [appellanten] geen aanleiding bestaat om de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht toe te passen.
11.     Uit het onder 8 t/m 8.6 overwogene volgt dat [appellanten] terecht betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in dit geval voor het moment van opeisbaarheid moet worden gekeken naar het uiterste tijdstip van betaling als bedoeld in artikel 26 van Pro de Pw. De minister heeft in zijn besluit van 24 april 2025 daarom ten onrechte niet aan de hand van artikel 26 van Pro de Pw per premienota beoordeeld of deze vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden en daarmee voor overname in aanmerking komt, zodat in zoverre aan dat besluit een motiveringsgebrek kleeft.
12.     De Afdeling ziet, met het oog op een spoedige beëindiging van het geschil, aanleiding de minister op grond van artikel 8:51d van de Awb op te dragen dit gebrek in het besluit van 24 april 2025 binnen 6 weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen door per door [appellanten] overgelegde premienota te beoordelen of deze gelet op het in artikel 26 van Pro de Pw bepaalde uiterste tijdstip van betaling moet worden geacht opeisbaar te zijn geworden vóór 1 juni 2021 en daarmee welk deel van de schuld voor overname in aanmerking komt.
13.     In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
draagt de minister van Financiën op om binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het vastgestelde gebrek in het besluit van 24 april 2025 te herstellen en het aangevulde of nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en aan de Afdeling mee te delen.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.C Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
154-1160