ECLI:NL:RVS:2026:4139

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
202405118/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging last onder dwangsom wegens strijdig gebruik en bouwwerken zonder vergunning in natuurgebied

Het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard legde op 1 november 2021 aan appellant een last onder dwangsom op wegens het gebruik van een perceel in strijd met de bestemming 'Natuur' en het realiseren van bouwwerken zonder vergunning. Appellant en een bedrijf dat het perceel huurde, gingen hiertegen in beroep. De rechtbank verklaarde het beroep van het bedrijf gegrond, maar dat van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het overgangsrecht niet toepaste op het gebruik van het perceel, de bouwwerken en de verharding.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruiksovergangsrecht op het achterste gedeelte van het perceel van toepassing is. Ook is niet gebleken dat voor de bouwwerken een vergunning niet nodig was, aangezien de aangehaalde brief alleen ziet op de Wet milieubeheer. Ten aanzien van de verharding is vastgesteld dat een groot deel na de peildatum is vernieuwd, waardoor het overgangsrecht niet van toepassing is.

Verder is geoordeeld dat er geen concreet zicht op legalisatie bestond op het moment van het besluit op bezwaar, ondanks latere plannen en gesprekken. De Afdeling bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom wordt bevestigd.

Uitspraak

202405118/1/R2.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Valkenswaard,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 3 juli 2024 in zaak nr. 22/1229 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard.
Procesverloop
Bij besluit van 1 november 2021 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens gebruik van grond in strijd met het bestemmingsplan en het realiseren van bouwwerken zonder vergunning.
Bij besluit van 19 april 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[bedrijf] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college, [appellant] & [bedrijf] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 11 mei 2026, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door mr. A.T.W.J. van der Linden, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] is eigenaar van een perceel met kadastraal nummer E926 aan de [locatie] in Valkenswaard. Het perceel is lange tijd gebruikt als houthandel en houtopslag. Een neef van [appellant] is eigenaar van [bedrijf] en had zijn bedrijf tot 31 december 2021 op het perceel, dat hij huurde van [appellant]. Daarna heeft het bedrijf het perceel verlaten.
Het college heeft aan zowel [appellant] als [bedrijf] een last onder dwangsom opgelegd omdat het perceel aan de [locatie] deels in strijd met de bestemming "Natuur" werd gebruikt voor houtopslag en houthandel en er bouwwerken waren gerealiseerd zonder omgevingsvergunning. Daarnaast moest de aangebrachte verharding worden verwijderd.
2.       Beiden zijn tegen de last in beroep gegaan. De rechtbank heeft het beroep van [bedrijf] gegrond verklaard omdat zij toen het besluit op bezwaar is genomen al niet meer kon voldoen aan de last aangezien het bedrijf niet meer op het perceel was gevestigd. Het beroep van [appellant] heeft de rechtbank ongegrond verklaard en hij is in hoger beroep gegaan. Deze uitspraak gaat daarom alleen nog om de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de last onder dwangsom aan [appellant] op mocht leggen.
Beroep op overgangsrecht
3.       [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat het college handhavend mocht optreden. Volgens [appellant] heeft de rechtbank op drie punten ten onrechte geoordeeld dat het overgangsrecht niet van toepassing is.
Ten eerste werd het achterste gedeelte van het perceel, al vóór 26 juni 1986, de peildatum die de rechtbank heeft vastgesteld voor de beoordeling of het overgangsrecht van toepassing is, gebruikt voor opslag van en/of handel in hout. Dit gebruik wordt daarom beschermd door het gebruiksovergangsrecht.
Ten tweede heeft de rechtbank ten onrechte geen oordeel gegeven over de vraag of het overgangsrecht van toepassing is op de bouwwerken. De rechtbank stelt weliswaar dat er geen vergunning voor deze bouwwerken aanwezig is en het overgangsrecht geen bouwvergunning vervangende titel verschaft, maar uit een brief van het college van 22 september 1994 blijkt dat geen vergunning nodig is voor de bouwwerken op het terrein. De bouwwerken die voor de peildatum zijn gebouwd kunnen daarom wel onder het overgangsrecht vallen.
Ten derde valt de verharding die [appellant] op grond van het handhavingsbesluit moet verwijderen ook onder het overgangsrecht, omdat deze er al lag voor de peildatum. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
4.       De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8.3.1 en 8.3.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Naar aanleiding van wat op de zitting is besproken, voegt de Afdeling hier het volgende aan toe.
5.       Over de toepasselijkheid van het gebruiksovergangsrecht op het achterste gedeelte van het perceel van [appellant] overweegt de Afdeling het volgende. Zij begrijpt het betoog van [appellant] dat de luchtfoto uit 1987 alleen maar een momentopname is. En dat de rechtbank daarom ten onrechte van oordeel is dat het achterste gedeelte van het perceel niet werd gebruikt voor opslag van en/of handel in hout, omdat dit gedeelte van het perceel op de foto leeg is.
Maar bij een beroep op het gebruiksovergangsrecht, is het aan [appellant] om aannemelijk te maken dat het perceel op de peildatum wel voor opslag van en/of handel in hout werd gebruikt en dat het gebruiksovergangsrecht ook op dit gedeelte van het perceel van toepassing is. Zo heeft de rechtbank ook overwogen onder overweging 8.3.3.
Dit heeft [appellant] ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt. Op de luchtfoto uit 1983 waar [appellant] op de zitting naar heeft verwezen, is niet zichtbaar dat het gehele perceel in gebruik is voor opslag van en/of handel in hout. Verder gaan de getuigenverklaringen waar [appellant] in beroep en hoger beroep naar heeft verwezen over de aanwezigheid van bouwwerken op het terrein, maar niet over de vraag waar opslag van en/of handel in hout plaatsvond.
6.       Verder volgt uit de brief van 22 september 1994, die [appellant] noemt, niet dat er geen bouw- of omgevingsvergunning nodig is voor de bouwwerken. Daarin staat alleen dat geen vergunning op grond van de Wet milieubeheer nodig is. Daarmee heeft [appellant] dus ook niet aangetoond dat hij beschikt over de vereiste bouw- of omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen". De rechtbank daarom terecht geoordeeld dat het college op mocht treden tegen de zonder vergunning gerealiseerde bouwwerken.
7.       Over het betoog van [appellant] dat de verharding al aanwezig was voor de peildatum van 26 juni 1986 en dat deze daarom ook onder het overgangsrecht valt, overweegt de Afdeling als volgt. Los van de vraag of de verharding er al lag op de peildatum, blijkt uit de overgelegde stukken dat een groot deel van de verharding na de peildatum is vernieuwd en uitgebreid. De huidige bestrating kan daarom niet onder het overgangsrecht vallen, zoals de rechtbank ook heeft overwogen.
Concreet zicht op legalisatie
8.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen concreet zicht op legalisatie is. Dat is er wel. Hij heeft namelijk concrete plannen voor het gebied waar het handhavingsbesluit over gaat. Hierover heeft hij ook verschillende gesprekken gehad met de gemeente.
9.       De Afdeling stelt vast dat de plannen en gesprekken die [appellant] in hoger beroep aanhaalt, plaatsvonden nadat het college het besluit op bezwaar heeft genomen. De vraag of er een concreet zicht op legalisatie bestaat, wordt beoordeeld op basis van de situatie op het moment dat het besluit op bezwaar is genomen. Het college had deze ontwikkelingen dus niet in het besluit kunnen betrekken. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie.
Conclusie
10.     Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd.
11.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Scheele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026