ECLI:NL:RVS:2026:4145

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
202401101/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 2.6 Bouwbesluit 2012Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing handhavingsverzoek werkzaamheden keldermuur Utrecht

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees op 23 april 2020 het verzoek van appellant af om handhavend op te treden tegen werkzaamheden aan de mandelige keldermuur van zijn pand. Appellant stelde dat voor deze werkzaamheden een omgevingsvergunning vereist was en dat de werkzaamheden in strijd waren met het Bouwbesluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overwoog dat het verzoek om handhaving was ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat het oude recht van toepassing bleef. De Afdeling oordeelde dat de werkzaamheden niet als een nieuw bouwwerk konden worden aangemerkt en dat geen omgevingsvergunning vereist was voor de last onder bestuursdwang. Het beroep van appellant op eerdere jurisprudentie werd verworpen.

Verder wees appellant een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af. De Afdeling stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden, maar dat dit niet leidde tot toekenning van schadevergoeding omdat de procedure geen extra frustratie veroorzaakte. De Afdeling bevestigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Uitspraak

202401101/1/R4.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Utrecht,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 17 januari 2024 in zaak nr. 22/3724 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 23 april 2020 heeft het college een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden met betrekking tot de door de gemeente verrichte werkzaamheden aan de mandelige keldermuur in het pand [locatie A] in Utrecht afgewezen.
Bij besluit van 27 september 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de motivering van het besluit aangevuld.
Bij uitspraak van 17 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 oktober 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H. van Gellekom en mr. M. Snippe, vergezeld door B. Olsthoorn, M. van Ligten, mr. K. van Baaren en C. Heemskerk, is verschenen. Verder is op de zitting [partij A], bijgestaan door mr. P.J. Gijsbertsen, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo en het Bouwbesluit 2012 (het Bouwbesluit) is gedaan op 24 januari 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo en het Bouwbesluit, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
Inleiding en voorgeschiedenis
2.       [appellant] is eigenaar van het pand [locatie A] in Utrecht, dat grenst aan het pand [locatie B] dat in eigendom is van [partij A] en [partij B]. In de afgelopen jaren is een juridische strijd ontstaan tussen de eigenaren en de gemeente en de eigenaren onderling. De oorsprong van dit conflict ligt voornamelijk in de bouwkundige staat van de panden en het daaruit voorvloeiende handhavend optreden door het college door middel van het opleggen van diverse lasten met betrekking tot de keldermuur tussen [locatie A] en [locatie B], en de door [appellant] gesloopte achtergevel van [locatie A]. Naast deze procedure loopt er een grote hoeveelheid andere, veelal door [appellant] gestarte, procedures tussen de bij deze zaak betrokken partijen. Veel van deze procedures hangen met elkaar samen.
De Afdeling heeft de zaak op dezelfde dag op een zitting behandeld met zaken nrs. 202304005/1/R4, 202204378/1/R4, 202306418/1/R4, 202305714/1/R4, 202500274/1/R4, 202502500/1/R4, 202400249/1/R4, 202406744/1/R4 en 202405945/1/R4, en zal in elke zaak afzonderlijk uitspraak doen.
Waar gaat deze zaak over?
3.       [appellant] heeft het college op 24 januari 2020, onder meer, verzocht om handhavend op te treden door de in het kader van de last onder bestuursdwang door de aannemer in opdracht van het college uitgevoerde werkzaamheden aan de keldermuur stil te leggen zolang geen omgevingsvergunning is verleend voor deze werkzaamheden. [appellant] schrijft in dat verzoek dat voor de uitvoering van deze werkzaamheden een omgevingsvergunning is vereist en dat de werkzaamheden in strijd met het Bouwbesluit worden verricht.
Was een omgevingsvergunning vereist voor de uitvoering van de last onder bestuursdwang?
4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zijn handhavingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen. Volgens hem zijn de in opdracht van de gemeente uitgevoerde werkzaamheden in het kader van de last onder bestuursdwang uitgevoerd zonder te beschikken over een daartoe vereiste omgevingsvergunning. Daartoe wijst [appellant] erop dat bij deze werkzaamheden de keldermuur tussen [locatie A] en [locatie B] opnieuw is gebouwd en aan zijn kant van de muur is verdikt, een fundering is gestort die eerder niet aanwezig was en een staalconstructie is aangebracht aan de keldermuur. Volgens [appellant] is met deze werkzaamheden geen sprake van herstel in de oude (rechtmatige) toestand, maar is een nieuw bouwwerk gerealiseerd en een geheel nieuwe situatie ontstaan. Hij wijst ter vergelijking op de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6330.
4.1.    Artikel 2.6, eerste lid, van het Bouwbesluit luidt:
"Een bestaand bouwwerk is gedurende de restlevensduur voldoende bestand tegen de daarop werkende krachten."
4.2.    De Afdeling verwijst naar het oordeel dat is gegeven in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3934, waarin onder 14.1 is overwogen dat voor de uitvoering van de last onder bestuursdwang geen omgevingsvergunning was vereist. De Afdeling kan zich verder vinden in rechtsoverwegingen 18 en 19 van de uitspraak van de rechtbank, waarin terecht wordt geconcludeerd dat geen sprake is van andere (aanvullende) werkzaamheden dan de last voorschrijft en evenmin sprake is van een nieuw bouwwerk. Het beroep van [appellant] op de genoemde uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2011 gaat daarom niet op. Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen bevoegdheid bestaat om handhavend op te treden. Ook wat betreft de stelling van [appellant] dat de last onder bestuursdwang op een andere wijze uitgevoerd moest worden omdat de oorzaak van de overtreding van artikel 2.6 van het Bouwbesluit niet in zijn pand maar in het buurpand [locatie B] ligt en dat pand niet in zijn eigen standzekerheid voorziet, verwijst de Afdeling naar de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3934 en ECLI:NL:RVS:2026:3938.
Het betoog slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
5.       [appellant] heeft verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3934, onder overweging 17 en verder, waarin het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is toegewezen, kan in deze procedure worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. Deze uitspraak en de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3934, gaan over hetzelfde onderwerp, zodat niet aannemelijk is dat door deze procedure extra spanning en frustratie bij [appellant] is veroorzaakt. Gelet op het voorgaande wijst de Afdeling het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, voor zover aangevallen. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.
7.       Het college hoeft geen proceskosten van [appellant] te vergoeden. Ten aanzien van [partij A] en [partij B] bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de gemaakte proceskosten.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II.       wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Hielkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
700-1096