Uitspraak
200405143/1, strekt de bij besluit van 26 maart 2008 (II) opgelegde last niet tot herstel in de oude toestand, zodat de vergelijking met die uitspraak niet opgaat.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Haren verleende op 24 maart 2003 van rechtswege een bouwvergunning voor het oprichten van een erfafscheiding aan de noordzijde van een perceel te Haren. Later werd deze vergunning herroepen en werd een last onder dwangsom opgelegd om de erfafscheiding in overeenstemming te brengen met een gewijzigd bouwplan.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van de wederpartijen gegrond en vernietigde het besluit van het college om de last onder dwangsom op te leggen, omdat de erfafscheiding zonder geldige bouwvergunning was opgericht. Het college en appellant gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad van State oordeelde dat appellant niet kan worden verweten dat hij geen bezwaar of beroep had ingesteld tegen eerdere besluiten, omdat hij door de uitspraak in een nadeliger positie was gekomen. Tevens stelde de Raad vast dat de bouwvergunning was herroepen ten tijde van het handhavingsverzoek, waardoor de erfafscheiding in strijd met de Woningwet was opgericht en het college terecht handhavend kon optreden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.