ECLI:NL:RVS:2026:4147

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
202505502/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009Art. 6 Uitvoeringsbesluit afvalstoffen Rotterdam 2018
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen spoedeisende bestuursdwang voor verkeerd aanbieden kartonnen doos

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft op 9 september 2025 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een kartonnen doos te verwijderen die de vulopening van een ondergrondse container blokkeerde. De kartonnen doos was voorzien van een adreslabel met de naam en het adres van appellante, die hierdoor als overtreder werd aangemerkt en de kosten van €192,00 werden aan haar opgelegd.

Appellante betwist dat de kartonnen doos tot vervuiling leidde en stelt dat het schoon karton betreft dat doorgaans apart wordt ingezameld. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt echter vast dat ook schoon karton de vulopening niet mag blokkeren volgens de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 en het Uitvoeringsbesluit afvalstoffen Rotterdam 2018.

Verder betwist appellante dat zij zelf de kartonnen doos heeft geplaatst en voert zij aan dat het college moet bewijzen dat zij de overtreder is. De Afdeling verwijst naar vaste rechtspraak dat het aantreffen van een poststuk met naam en adres voldoende is om het bewijsvermoeden te rechtvaardigen dat de betrokkene de overtreder is, tenzij voldoende twijfel wordt gezaaid. Appellante slaagt er niet in dit bewijsvermoeden te ontkrachten.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 15 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot spoedeisende bestuursdwang wegens verkeerd aanbieden van een kartonnen doos wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202505502/1/R4.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Rotterdam,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 september 2025 heeft het college zijn beslissing om op 9 september 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van de bestuursdwang, te weten € 192,00, voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 22 oktober 2025 heeft het college het door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 19 mei 2026.
Overwegingen
1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos die is aangetroffen in de vulopening van een ondergrondse container ter hoogte van de Clemensstraat 64 in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel op de doos staan.
2.       [appellante] betwist dat de aangetroffen kartonnen doos leidt tot vervuiling. [appellante] voert daarbij aan dat de aangetroffen kartonnen doos bestaat uit schoon karton, karton door de gemeente doorgaans apart wordt ingezameld en karton ook recyclebaar is.
2.1.    Uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 volgt dat karton een huishoudelijke afvalstof is.
In artikel 6, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit afvalstoffen Rotterdam 2018 is bepaald dat de afvalstoffen in geen geval de vulopening mogen blokkeren.
2.2.    De kartonnen doos is dus een huishoudelijke afvalstof en die blokkeerde de vulopening van de ondergrondse container. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit een overtreding is. Dat de kartonnen doos volgens [appellante] bestond uit schoon karton maakt geen verschil, omdat ook schoon karton de vulopening niet mag blokkeren.
Het betoog slaagt niet.
3.       [appellante] betwist verder dat zij de kartonnen doos zelf naast of half in de ondergrondse container heeft geplaatst. [appellante] voert aan dat zij er bezwaar tegen heeft dat de handhavers tussen het afval in de kartonnen doos hebben gezocht, niets konden vinden en vervolgens de boete aan haar hebben opgelegd. Zij stelt dat het aan het college is om te bewijzen dat zij de kartonnen doos met eigen handen naast of half in de ondergrondse container heeft geplaatst.
3.1.    Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden, bijvoorbeeld door middel van een daarin aangetroffen poststuk, mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat betrokkene dit afval op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden en dat zij dus de overtreder is (het bewijsvermoeden). Voor het mogen hanteren van dit bewijsvermoeden is voldoende dat in het afval één tot de betrokkene te herleiden poststuk is aangetroffen. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2432).
Op grond van het bewijsvermoeden is alleen al de omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel trekt. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat zij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het alleen maar wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
3.2.    Door het adreslabel is de kartonnen doos tot [appellante] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij door wat zij aanvoert voldoende twijfel ontstaat of zij daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het verkeerd aanbieden van de kartonnen doos. Anders dan waar [appellante] van uitgaat, hoeft het college niet onomstotelijk te bewijzen dat zij de kartonnen doos in de vulopening van de ondergrondse container heeft achtergelaten.
Het feit dat de kartonnen doos gevuld was met ander afval zorgt niet voor voldoende twijfel om het bewijsvermoeden te ontkrachten. Sterker: dat staat er geheel los van of zij de doos in de vulopening heeft achtergelaten en maakt haar daar ook niet minder verantwoordelijk voor. Omdat [appellante] niet voldoende twijfel heeft gezaaid om het bewijsvermoeden te ontkrachten dat zij de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden, heeft het college haar terecht als overtreder aangemerkt.
Het betoog slaagt niet.
4.       Het beroep is ongegrond.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Leenen, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Leenen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
1142