ECLI:NL:RVS:2026:4149
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing Nederlanderschap wegens twijfel identiteit
Appellante, afkomstig uit Zuid-Soedan, verzocht om het Nederlanderschap voor zichzelf en haar zoon. De minister wees dit verzoek af vanwege twijfel aan haar identiteit en nationaliteit, gebaseerd op een taalanalyse die haar herleidde tot Oeganda in plaats van Zuid-Soedan, een twijfelachtig Age Assessment Certificate en een verklaring van de Soedanese ambassade die haar herkomst niet bevestigde.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij de twijfels niet had weggenomen met de overgelegde documenten en dat de minister terecht van het horen in bezwaar had afgezien. Appellante stelde hoger beroep in en voerde onder meer aan dat zij in bewijsnood verkeerde en dat de minister ten onrechte niet had gehoord in bezwaar.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister ten onrechte van het horen in bezwaar was afgezien, omdat appellante niet de mogelijkheid had gekregen zich uit te laten over de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten. Desondanks vond de Afdeling dat de minister terecht het verzoek had afgewezen, omdat de twijfels aan de identiteit en nationaliteit gegrond waren en appellante onvoldoende bewijs had geleverd om deze weg te nemen.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister worden vernietigd, maar het besluit blijft in stand.