ECLI:NL:RVS:2026:4176

Raad van State

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.000186
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:72 AwbArt. 14 Verordening (EU) nr. 2018/1860
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit wegens ontbreken verblijf in lidstaat bij besluitvorming

Appellant, met de Bengaalse nationaliteit, kreeg een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als gezinslid. De staatssecretaris trok deze vergunning in per 31 januari 2023 omdat de echtgenoot stopte met zijn studie, en legde een terugkeerbesluit op met SIS-signalering. Appellant was inmiddels naar Portugal verhuisd en maakte bezwaar tegen het terugkeerbesluit en de signalering.

De rechtbank oordeelde dat het niet noodzakelijk is dat de vreemdeling zich op het moment van het terugkeerbesluit in de lidstaat bevindt die het besluit neemt, zolang deze zich binnen de EU bevindt. Appellant stelde dat illegaal verblijf in de lidstaat die het besluit neemt vereist is, gesteund op jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Terugkeerhandboek.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat verblijf in de lidstaat niet noodzakelijk is. Omdat appellant niet fysiek aanwezig was in Nederland bij het besluit, mocht het terugkeerbesluit niet worden genomen. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd, en de minister werd veroordeeld tot het verwijderen van de SIS-signalering en vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit en de SIS-signalering worden vernietigd omdat appellant niet in Nederland verbleef bij het besluit, en het hoger beroep wordt toegewezen.

Uitspraak

BRS.26.000186
Datum uitspraak: 17 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025 in zaak nr. NL24.43924 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 1 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, haar opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en haar meegedeeld dat zij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Bij besluit van 30 oktober 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1.        Appellant, met de Bengaalse nationaliteit, is met ingang van 2 november 2022 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Verblijf als familie- of gezinslid’. De minister heeft met het besluit van 1 mei 2024 deze verblijfsvergunning ingetrokken met ingang van 31 januari 2023, omdat haar echtgenoot is gestopt met zijn studie. De intrekking geldt ook als terugkeerbesluit. Daarbij heeft de minister appellant vanwege het terugkeerbesluit gesignaleerd in het SIS. Appellant heeft bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit en de SIS-signalering, omdat zij naar Portugal verhuisd is.
Uitspraak van de rechtbank
2.        De rechtbank heeft geoordeeld dat het niet noodzakelijk is dat een vreemdeling zich op het moment van het nemen van een terugkeerbesluit op het grondgebied van de lidstaat bevindt die dat besluit neemt. De rechtbank overweegt dat het wel van belang is dat een vreemdeling op dat moment op het grondgebied van de EU verblijft. Een andere opvatting zou naar het oordeel van de rechtbank moeilijk te rijmen zijn met het feit dat een terugkeerbesluit geldt voor het gehele grondgebied van de EU. Ook valt niet in te zien dat een vreemdeling zou kunnen voorkomen dat de minister een terugkeerbesluit neemt alleen door te vertrekken naar een andere lidstaat. Dit zou volgens de rechtbank afbreuk doen aan de doeltreffendheid van het verwijderings- en terugkeerbeleid van de EU.
De eerste grief van appellant
3.        Appellant betoogt onder andere, onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie van 27 april 2023, M.D., ECLI:EU:C:2023:341, punt 81, en 7 juni 2016, Affum, ECLI:EU:C:2016:408, punt 48, en de paragrafen 1.2, 1.4, 5.2 en 11.3 van het Terugkeerhandboek, dat de rechtbank hiermee niet heeft onderkend dat illegaal verblijf op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt, vereist is.
Beoordeling eerste grief
4.        Het betoog van appellant slaagt. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het niet noodzakelijk is dat appellant op het moment van het nemen van het terugkeerbesluit in Nederland verbleef. De Afdeling wijst verder op haar uitspraak van 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4168, onder 6.1 tot en met 6.2. De minister heeft met het besluit van 1 mei 2024 aangenomen dat appellant haar hoofdverblijf in Portugal heeft. Verder is gesteld noch gebleken dat appellant ten tijde van het nemen van het besluit fysiek aanwezig was op het Nederlandse grondgebied. Daarom mocht de minister geen terugkeerbesluit nemen.
4.1.        De eerste grief slaagt.
Conclusie
5.        Het hoger beroep is gegrond. De overige grieven behoeven geen bespreking. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 30 oktober 2024. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting zal de Afdeling zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 1 mei 2024 gegrond te verklaren, dat besluit te herroepen, voor zover appellant is opgedragen de EU binnen 28 dagen te verlaten en haar is meegedeeld dat zij vanwege dat terugkeerbesluit in het SIS gesignaleerd wordt, en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb). Het voorgaande betekent dat de minister op de voet van artikel 14, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 2018/1860 en in overeenstemming met paragraaf A2/12.12 van de Vc 2000, de SIS-signalering moet verwijderen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025 in zaak nr. NL24.43924;
III.        verklaart het beroep gegrond;
IV.        vernietigt het besluit van 30 oktober 2024, [...];
V.        verklaart het bezwaar gegrond;
VI.        herroept het besluit van 1 mei 2024, [...], voor zover appellant is opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en haar is meegedeeld dat zij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem gesignaleerd wordt;
VII.        bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 30 oktober 2024;
VIII.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.468,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026
347-1111