ECLI:NL:RVS:2026:4178

Raad van State

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.000345
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:72 AwbArt. 14 Verordening (EU) nr. 2018/1860
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit en SIS-signalering wegens verblijf buiten Nederland

Appellant, een Bengaalse nationaliteit, kreeg op 1 september 2022 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor studie. Op 23 april 2024 trok de staatssecretaris deze vergunning in met ingang van 31 augustus 2023 vanwege onvoldoende studievoortgang en legde een terugkeerbesluit op, inclusief SIS-signalering. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in, stellende dat hij inmiddels in Portugal woonde.

De rechtbank oordeelde dat het niet noodzakelijk is dat appellant op het moment van het terugkeerbesluit in Nederland verbleef, maar wel binnen de EU. Appellant betwistte dit en verwees naar jurisprudentie en het Terugkeerhandboek. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat appellant met diverse documenten aannemelijk had gemaakt dat hij op het moment van het besluit in Portugal woonde, waaronder emigratieaangifte, arbeidsovereenkomsten en belastinggegevens.

De Afdeling oordeelde dat de minister ten onrechte het terugkeerbesluit nam en de SIS-signalering handhaafde. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 13 november 2024 vernietigd, en het bezwaar gegrond verklaard. De minister werd veroordeeld tot het verwijderen van de SIS-signalering en tot vergoeding van de proceskosten van €3.468,00.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit en de SIS-signalering worden vernietigd omdat appellant ten tijde van het besluit niet in Nederland verbleef, en de minister wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

BRS.26.000345
Datum uitspraak: 17 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025 in zaak nr. NL24.49672 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Bij besluit van 13 november 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1.        Appellant, met de Bengaalse nationaliteit, is met ingang van 1 september 2022 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘studie’. De minister heeft met het besluit van 23 april 2024 deze verblijfsvergunning ingetrokken met ingang van 31 augustus 2023, omdat de onderwijsinstelling appellant heeft afgemeld vanwege onvoldoende studievoortgang. De intrekking geldt ook als terugkeerbesluit. Daarbij heeft de minister appellant vanwege het terugkeerbesluit gesignaleerd in het SIS. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit en de SIS-signalering, omdat hij naar Portugal verhuisd is.
Uitspraak van de rechtbank
2.        De rechtbank heeft geoordeeld dat het niet noodzakelijk is dat een vreemdeling zich op het moment van het nemen van een terugkeerbesluit op het grondgebied van de lidstaat bevindt die dat besluit neemt. De rechtbank overweegt dat het wel van belang is dat een vreemdeling op dat moment op het grondgebied van de EU verblijft. Een andere opvatting zou naar het oordeel van de rechtbank moeilijk te rijmen zijn met het feit dat een terugkeerbesluit geldt voor het gehele grondgebied van de EU. Ook valt niet in te zien dat een vreemdeling zou kunnen voorkomen dat de minister een terugkeerbesluit neemt alleen door te vertrekken naar een andere lidstaat. Dit zou volgens de rechtbank afbreuk doen aan de doeltreffendheid van het verwijderings- en terugkeerbeleid van de EU.
De eerste grief van appellant
3.        Appellant betoogt onder andere, onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie van 27 april 2023, M.D., ECLI:EU:C:2023:341, punt 81, en 7 juni 2016, Affum, ECLI:EU:C:2016:408, punt 48, en paragrafen 1.2, 1.4, 5.2 en 11.3 van het Terugkeerhandboek, dat de rechtbank hiermee niet heeft onderkend dat illegaal verblijf op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt, vereist is.
Beoordeling eerste grief
3.1.        Het betoog van appellant slaagt. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het niet noodzakelijk is dat appellant op het moment van het nemen van het terugkeerbesluit in Nederland verbleef. De Afdeling wijst verder op haar uitspraak van 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4168, onder 6.1 tot en met 6.2. De minister kon in dit geval de aanwezigheid van appellant op het Nederlandse grondgebied ten tijde van het peilmoment - het besluit van 23 april 2024 - niet aannemen. Daarvoor is relevant dat appellant in zijn zienswijze in reactie op het voornemen om zijn verblijfsvergunning in te trekken, heeft vermeld dat hij naar Portugal is verhuisd en dit met de volgende vertaalde stukken heeft onderbouwd:
•        Uittreksel BRP en aangifte van emigratie van 31 oktober 2023;
•        Verklaring van woonplaats van 30 oktober 2023;
•        Verklaring van woonplaats van 18 juli 2024;
•        Arbeidsovereenkomst van 1 november 2023;
•        Arbeidsovereenkomst van 1 november 2024;
•        Uittreksel belastingregister van 30 oktober 2023;
•        Uittreksel belastingregister van 27 juli 2024;
•        Uittreksel sociale verzekeringsinstituut van 2 november 2023;
•        Ingevuld aanvraagformulier verblijfsvergunning (ongedateerd);
•        Bewijs van afgifte biometrische gegevens van 4 oktober 2024;
•        Voornemen tot afwijzing aanvraag verblijfsvergunning van 18 december 2024;
•        Loonstroken van januari tot en met maart 2024 en december 2024 tot en met februari 2025.
Met het overleggen van deze stukken heeft appellant onderbouwd dat hij ten tijde van het besluit van 23 april 2024 niet meer in Nederland woonde, maar in Portugal. Daarbij overweegt de Afdeling dat het feit dat appellant op 31 oktober 2023 bij de BRP aangifte heeft gedaan van emigratie een sterke aanwijzing vormt dat appellant zijn hoofdverblijf naar Portugal heeft verplaatst. Verder is gesteld noch gebleken dat appellant ten tijde van het nemen van het besluit fysiek in Nederland aanwezig was. Daarom mocht de minister geen terugkeerbesluit nemen.
3.2.        De eerste grief slaagt.
Conclusie
4.        Het hoger beroep is gegrond. De overige grieven behoeven geen bespreking. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 13 november 2024. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting zal de Afdeling zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 23 april 2024 gegrond te verklaren, dat besluit te herroepen, voor zover appellant is opgedragen de EU binnen 28 dagen te verlaten en hem is meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het SIS gesignaleerd wordt, en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb). Het voorgaande betekent dat de minister op de voet van artikel 14, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2018/1860 en in overeenstemming met paragraaf A2/12.12 van de Vc 2000, de SIS-signalering moet verwijderen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025 in zaak nr. NL24.49672;
III.        verklaart het beroep gegrond;
IV.        vernietigt het besluit van 13 november 2024, V-[...];
V.        verklaart het bezwaar gegrond;
VI.        herroept het besluit van 23 april 2024, V-[...]voor zover appellant is opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en hem is meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem gesignaleerd wordt;
VII.        bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 13 november 2024;
VIII.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.468,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026
347-1111