ECLI:NL:RVS:2026:4179

Raad van State

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.000352
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens onbevoegdheid inzake intrekking verblijfsvergunning en terugkeerbesluit

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 31 mei 2023 de verblijfsvergunning van appellant ingetrokken en hem opgedragen de EU binnen 28 dagen te verlaten, met signalering in het Schengeninformatiesysteem. Appellant maakte bezwaar, dat in eerste instantie ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen.

De minister nam op 11 september 2024 een nieuw besluit, waarop appellant opnieuw bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit, maar stelde de rechtsgevolgen in stand. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt echter ambtshalve vast dat de rechtbank niet bevoegd was om uitspraak te doen over het beroep tegen het besluit van 11 september 2024, omdat dit besluit niet aan de Afdeling was voorgelegd conform artikel 6:19 Awb Pro.

De Afdeling vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het beroep tegen het besluit van 11 september 2024 betrof en verklaart de rechtbank onbevoegd. Tevens veroordeelt zij de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank wegens onbevoegdheid en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

BRS.26.000352
Datum uitspraak: 17 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025 in zaak nr. NL24.36007 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 31 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Bij besluit van 16 januari 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld en heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Bakker, advocaat in Den Haag, incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 11 september 2024 heeft de minister opnieuw het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard, het besluit van 11 september 2024 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven en de door de minister verbeurde dwangsommen vastgesteld op € 322,00.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Ambtshalve beoordeling van de bevoegdheid van de rechtbank
1.        De minister heeft op 11 september 2024 naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 3 juli 2024 in zaak nr. NL24.4963 een nieuw besluit op bezwaar genomen hangende de hoger beroepen tegen die uitspraak. Die hoger beroepen, geregistreerd onder zaak nr. 202404149/1/V3, hebben van rechtswege betrekking op het besluit van 11 september 2024. Dat besluit is namelijk een besluit als bedoeld in artikel 6:19, derde en vierde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24, van de Awb. Deze bepalingen zijn van openbare orde. De Afdeling beoordeelt daarom ambtshalve of de rechtbank bevoegd was uitspraak te doen.
1.1.        De Afdeling stelt vast dat zowel de minister het besluit van 11 september 2024 als de rechtbank het beroep tegen dit besluit niet overeenkomstig artikel 6:19 van Pro de Awb heeft doorgezonden aan de Afdeling. De rechtbank heeft zich als gevolg daarvan ten onrechte bevoegd geacht en het beroep tegen het besluit in behandeling genomen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4100, onder 3. De Afdeling betrekt het nieuwe besluit in de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank van 3 juli 2024 (uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:4168, onder 4.1).
2.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2025 in zaak nr. NL24.36007, voor zover zij daarmee het beroep tegen het besluit van 11 september 2024 gegrond heeft verklaard, dat besluit heeft vernietigd en heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. De Afdeling verklaart de rechtbank alsnog onbevoegd om van het beroep tegen het besluit van 11 september 2024 op het bezwaar tegen het terugkeerbesluit en de SIS-signalering kennis te nemen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025 in zaak nr. NL24.36007, voor zover zij daarmee het beroep tegen het besluit van 11 september 2024 gegrond heeft verklaard, dat besluit heeft vernietigd en heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;
III.        verklaart de rechtbank onbevoegd om van het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 11 september 2024 op het bezwaar tegen het terugkeerbesluit en de signalering in het Schengeninformatiesysteem kennis te nemen;
IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026
347-1111