ECLI:NL:RVS:2026:4193
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring door minister van Asiel en Migratie na hoger beroep
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 5 februari 2026 in bewaring. Appellant maakte hiertegen bezwaar bij de rechtbank Den Haag, die op 24 februari 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep betoogde appellant dat er geen effectieve rechtsbescherming was, maar hij maakte niet aannemelijk dat hij geen toegang had tot strafrechtelijke of civiele procedures. De Afdeling verwees naar eerdere jurisprudentie van het Hof van Justitie en de eigen uitspraken, waarin is bepaald dat de bewaringsrechter niet buiten het geding mag treden om het strafrechtelijk voortraject te toetsen.
De Afdeling zag geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de minister werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.