ECLI:NL:RVS:2026:4216

Raad van State

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
202408067/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 3 EVRMArt. 1(F) Vluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit en inreisverbod wegens onrechtmatigheid en procesbelang

Betrokkene, een Afghaanse staatsburger, diende op 20 september 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 12 juni 2022 af, verklaarde hem onmiddellijk de Europese Unie te moeten verlaten en vaardigde een inreisverbod uit. Betrokkene vertrok vrijwillig naar de Verenigde Staten en trok het beroep tegen de asielafwijzing in, maar handhaafde het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit in zijn geheel. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het gehele besluit vernietigde, omdat betrokkene het beroep tegen de asielafwijzing had ingetrokken en het geschil zich beperkte tot het terugkeerbesluit en inreisverbod.

De Afdeling bevestigde dat betrokkene procesbelang heeft bij het beroep, ondanks zijn vertrek naar de Verenigde Staten, mede vanwege het uitgevaardigde inreisverbod. De Afdeling stelde vast dat het terugkeerbesluit onrechtmatig was omdat Afghanistan als land van terugkeer was opgenomen, terwijl betrokkene daar een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro loopt en hij inmiddels vrijwillig naar de Verenigde Staten was vertrokken, wat niet in het besluit was verwerkt.

De Afdeling vernietigde daarom het terugkeerbesluit en het daarop gebaseerde inreisverbod, maar bevestigde de rest van de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit en inreisverbod zijn vernietigd wegens onrechtmatigheid, terwijl het beroep tegen de asielafwijzing is ingetrokken.

Uitspraak

202408067/1/V1.
Datum uitspraak: 17 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 december 2024 in zaak nr. NL22.11592 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, bepaald dat hij de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten (terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 18 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. V.M. Oliana, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene is geboren op [geboortedatum] en heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij heeft op 20 september 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft die aanvraag bij het besluit van 12 juni 2022 afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op betrokkene van toepassing is. Ook heeft de minister, zoals gezegd, een terugkeerbesluit genomen en een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd.
1.1. Op 27 juni 2022 heeft betrokkene een ‘Verklaring vrijwillig vertrek uit Nederland’ (verklaring) ondertekend. In de verklaring staat onder meer dat betrokkene ermee instemt dat nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd en dat procedures tegen een terugkeerbesluit en inreisverbod hier niet onder vallen. Op 28 juni 2022 is betrokkene vrijwillig vertrokken naar de Verenigde Staten.
1.2. De rechtbank heeft overwogen dat betrokkene met de verklaring alleen het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en dat betrokkene nog belang heeft bij inhoudelijke behandeling van het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod (procesbelang). De rechtbank heeft verder in het kader van het terugkeerbesluit geoordeeld dat uit het besluit ondubbelzinnig blijkt dat Afghanistan het beoogde land van terugkeer was. Volgens de rechtbank heeft de minister het terugkeerbesluit in strijd met het arrest van het Hof van Justitie van 6 juli 2023, AA, ECLI:EU:C:2023:540, genomen, omdat de minister in het besluit aannemelijk heeft geacht dat betrokkene bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het inreisverbod geen stand kan houden, omdat het beroep tegen het terugkeerbesluit gegrond is.
De beslissing van de rechtbank
2. De eerste grief is gericht tegen de beslissing van de rechtbank, waarin zij het beroep van betrokkene gegrond heeft verklaard en het besluit heeft vernietigd. De minister betoogt dat de rechtbank hiermee ten onrechte heeft beslist op het door betrokkene ingetrokken beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
2.1. De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat betrokkene met de verklaring het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. Ook heeft de rechtbank overwogen dat het geschil zich toespitst op de vraag of betrokkene belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod en, zo ja, wat de uitkomst daarvan is. Hieruit volgt dat de rechtbank alleen heeft beslist op het beroep dat is gericht tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod. De Afdeling volgt de minister niet in zijn betoog dat de rechtbank op het ingetrokken beroep heeft beslist.
2.2. Omdat betrokkene het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag heeft ingetrokken, betoogt de minister terecht dat de rechtbank ten onrechte het besluit in zijn geheel heeft vernietigd. Betrokkene heeft het geschil bij de rechtbank namelijk beperkt tot het terugkeerbesluit en inreisverbod. De rechtbank mocht daarom alleen het besluit vernietigen voor zover dat een terugkeerbesluit en inreisverbod omvat. De grief slaagt.
Procesbelang
3. De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene procesbelang heeft bij het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod. Volgens de minister had de rechtbank moeten vaststellen dat betrokkene geen procesbelang meer heeft, omdat hij gedurende het beroep niet altijd contact heeft gehouden met zijn gemachtigde. De minister wijst op de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
3.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
3.2. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat de omstandigheid dat betrokkene uit Nederland is vertrokken, niet betekent dat hij geen belang meer heeft bij de procedure. Het belang van betrokkene is er al in gelegen dat de minister ook een inreisverbod heeft uitgevaardigd. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1178, onder 4. Voor zover de vraag zou spelen of de gemachtigde nog contact heeft met betrokkene, heeft de rechtbank er ook terecht op gewezen dat betrokkene op 5 april 2023, na zijn vertrek naar de Verenigde Staten, contact had met zijn gemachtigde en een e-mail heeft gestuurd waarin staat: ‘carry on with the court and let’s see what is the decision of court and plz let me know’. Hieruit leidt de Afdeling af dat betrokkene de procedure wilde voortzetten. Dat de gemachtigde direct voor de zitting geen contact had met betrokkene, heeft de rechtbank terecht onvoldoende geacht om in dit geval geen procesbelang aan te nemen, omdat hieruit niet kan worden afgeleid dat de hiervoor weergegeven mededeling niet langer actueel is. De grief slaagt niet.
Het terugkeerbesluit en inreisverbod
4. De derde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod onrechtmatig zijn, omdat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Volgens de minister is het terugkeerbesluit op 28 juni 2022 uitgewerkt, omdat betrokkene vrijwillig is vertrokken naar de Verenigde Staten. De minister betoogt verder dat het voor de rechtmatigheid van het inreisverbod vanaf het moment van vrijwillig vertrek niet meer relevant is of hij Afghanistan terecht als land van terugkeer heeft opgenomen.
4.1. Uit onder meer de arresten van het Hof van 14 mei 2020, FMS e.a., ECLI:EU:C:2020:367, punt 115, en van 25 juni 2026, Hardeker, ECLI:EU:C:2026:518, punt 80, volgt dat de minister in elk terugkeerbesluit een land van terugkeer moet opnemen. Uit punt 116 van het arrest FMS e.a. volgt dat het noemen van een of meerdere landen van terugkeer een essentieel onderdeel is van een terugkeerbesluit. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het terugkeerbesluit Afghanistan als beoogd land van terugkeer is vermeld. Daarom heeft de rechtbank terecht getoetst of de minister Afghanistan als land van terugkeer heeft mogen opnemen in het terugkeerbesluit. De minister komt niet op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij ten onrechte Afghanistan als land van terugkeer heeft opgenomen in het terugkeerbesluit, omdat hij aanneemt dat betrokkene bij terugkeer naar dat land een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM loopt. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat het terugkeerbesluit onrechtmatig was.
4.2. Niet in geschil is dat de minister de Verenigde Staten niet heeft genoemd in het terugkeerbesluit. De omstandigheid dat betrokkene vrijwillig naar dat land is vertrokken en daar is toegelaten, kan het gebrek van het genomen en al uitgewerkte terugkeerbesluit niet helen. De minister had in dit geval voorafgaande aan het vertrek van betrokkene een gewijzigd terugkeerbesluit moeten nemen en daarbij de Verenigde Staten in plaats van Afghanistan als land van terugkeer moeten opnemen. De Afdeling realiseert zich vanzelfsprekend wel dat zo’n gewijzigd besluit gelet op het tijdsverloop (één dag tussen het intrekken van de rechtsmiddelen en het feitelijke vertrek naar de Verenigde Staten) nauwelijks haalbaar is voor de minister, maar het probleem blijft dat er alleen een terugkeerbesluit voorhanden is dat Afghanistan aanwijst als land van terugkeer. Omdat de minister niet zo’n gewijzigd terugkeerbesluit heeft genomen en het terugkeerbesluit onrechtmatig is, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het daarop gebaseerde inreisverbod ook geen stand kan houden. De grief slaagt niet.
5. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Conclusie
6. Het hoger beroep is gegrond gelet op de eerste grief. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtbank het besluit van 12 juni 2022 geheel heeft vernietigd, en bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige. De Afdeling vernietigt het besluit van 12 juni 2022 voor zover de minister daarin heeft bepaald dat betrokkene de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten en tegen hem een inreisverbod heeft uitgevaardigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 december 2024 in zaak nr. NL22.11592, voor zover de rechtbank het besluit van 12 juni 2022, V-[…], heeft vernietigd;
III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
IV. vernietigt het besluit van 12 juni 2022 voor zover de minister van Asiel en Migratie daarin heeft bepaald dat betrokkene de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten en tegen hem een inreisverbod heeft uitgevaardigd.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026
1028