ECLI:NL:RVS:2026:4217
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- B. Meijer
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering en toetsing
Betrokkene, een Afghaan uit Kandahar, diende meerdere asielaanvragen in, waarvan de eerste werd afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van zijn verklaringen over problemen met de Taliban vanwege zijn sjiitische geloof. Een latere aanvraag werd ingetrokken, en de derde aanvraag werd afgewezen op grond van onvoldoende geloofwaardigheid van een overgelegde dreigbrief.
De rechtbank vernietigde het afwijzingsbesluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de uitspraak. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling oordeelde dat de minister het besluit onvoldoende had gemotiveerd, met name over de herleidbaarheid van de dreigbrief naar betrokkene, en dat de minister ten onrechte de individuele situatie van betrokkene niet had betrokken bij de beoordeling van het risico op willekeurig geweld volgens artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden, oordeelde dat de minister de proceskosten moest vergoeden en dat de minister in een nieuw besluit de motivering over de dreigbrief en de toetsing aan artikel 15 Kwalificatierichtlijn Pro aan de actuele situatie in Kandahar moet aanpassen. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de vernietiging van het afwijzingsbesluit en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten.