ECLI:NL:RVS:2026:4248
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 25 maart 2026 niet in behandeling is genomen. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 25 juni 2026 ongegrond verklaarde. Vervolgens heeft verzoeker hoger beroep ingesteld bij de Raad van State en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 23 juli 2026 besloten om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit houdt in dat verzoeker niet wordt overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij recht heeft op opvang en verstrekkingen. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De beslissing is genomen met toepassing van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter baseert zich op eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457) en weegt de belangen van verzoeker in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. De uitspraak is openbaar gedaan en ondertekend door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet overgedragen en krijgt opvang en verstrekkingen totdat op het hoger beroep is beslist; minister moet proceskosten vergoeden.