ECLI:NL:RVS:2026:4248

Raad van State

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.003330
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning asiel

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 25 maart 2026 niet in behandeling is genomen. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 25 juni 2026 ongegrond verklaarde. Vervolgens heeft verzoeker hoger beroep ingesteld bij de Raad van State en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 23 juli 2026 besloten om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit houdt in dat verzoeker niet wordt overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij recht heeft op opvang en verstrekkingen. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De beslissing is genomen met toepassing van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter baseert zich op eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457) en weegt de belangen van verzoeker in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. De uitspraak is openbaar gedaan en ondertekend door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet overgedragen en krijgt opvang en verstrekkingen totdat op het hoger beroep is beslist; minister moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

BRS.26.003330
Datum uitspraak: 23 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[betrokkene],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 25 juni 2026 in zaak nr. NL26.18335 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 25 maart 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 25 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt overgedragen, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. van Vulpen, griffier.
w.g. Soffers
voorzieningenrechter
w.g. Van Vulpen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026
1073