ECLI:NL:RVS:2026:4285

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
202504130/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:10 AwbArt. 2.1 Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag wegens ontbreken hardheid van het stelsel

Appellante verzocht compensatie uit de Catshuisregeling voor de kinderopvangtoeslag over 2011, nadat zij in 2009 het rekeningnummer voor de toeslaguitbetaling wijzigde naar dat van haar toeslagpartner. Na beëindiging van de relatie woonde één kind bij haar en één bij de ex-partner. De Dienst Toeslagen weigerde compensatie, omdat de situatie niet voldeed aan de criteria voor hardheid van het stelsel.

De rechtbank oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij in 2009 een verkeerd advies had gekregen en dat de toeslagpartner geen derde was zoals bedoeld in de wet. De uitbetaling op het rekeningnummer van de ex-partner was op eigen verzoek van appellante en de terugvordering betrof een herziening van het voorschot, niet hardheid van het stelsel.

In hoger beroep stelde appellante dat zij slachtoffer was van de toeslagenaffaire en dat de situatie vergelijkbaar was met uitbetaling aan een kinderopvanginstelling. De Afdeling verwierp dit, bevestigde de eerdere oordelen en concludeerde dat de terugvordering terecht was en dat het bezwaar niet onterecht als informatieverzoek was behandeld.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; appellante krijgt geen compensatie toegekend.

Uitspraak

202504130/1/A2.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 20 juni 2025 in zaak nr. 23/2960 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 1 mei 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] meegedeeld dat de uitkomst van de lichte toets nog geen reden geeft om het forfaitaire bedrag van € 30.000 uit de Catshuisregeling aan haar te betalen.
Bij besluiten van 22 februari 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] meegedeeld dat de uitkomst van de lichte toets definitief geen reden geeft om het forfaitaire bedrag van € 30.000 uit de Catshuisregeling aan haar te betalen.
Bij besluit van 18 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 mei 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. L. Boon, advocaat in Eindhoven, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] heeft twee kinderen: [kind A] en [kind B]. Tot begin 2011 had zij een toeslagpartner. Begin 2011 hebben [appellante] en haar toeslagpartner hun relatie beëindigd. [kind A] is daarna bij de toeslagpartner gaan wonen en [kind B] bij [appellante]. Voor de relatiebreuk werd de kinderopvangtoeslag voor de twee kinderen op de bankrekening van de toeslagpartner van [appellante] gestort. [appellante] heeft na de relatiebreuk, op 20 april 2011, de Dienst Toeslagen verzocht om het rekeningnummer waarop de kinderopvangtoeslag wordt gestort te wijzigen naar haar rekeningnummer. Ook heeft zij op die datum de kinderopvangtoeslag gewijzigd naar één kind, omdat alleen [kind B] bij haar woont. Op 22 april 2011 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] meegedeeld dat het rekeningnummer waarop de kinderopvangtoeslag wordt gestort is gewijzigd. De wijziging van de kinderopvangtoeslag van twee kinderen naar één kind heeft de Dienst Toeslagen in augustus 2011 verwerkt.
2.       [appellante] heeft zich op 10 februari 2020 bij de Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over 2011. De Dienst Toeslagen heeft dit verzoek voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (CvW). De CvW heeft in haar advies van 8 februari 2022 geconcludeerd dat [appellante] geen recht heeft op compensatie. De Dienst Toeslagen heeft onder verwijzing naar dit advies het verzoek om compensatie van [appellante] afgewezen.
3.       De Dienst Toeslagen heeft het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar voorgelegd aan de bezwarenadviescommissie (BAC). De BAC heeft geadviseerd om het bezwaar van [appellante] gedeeltelijk gegrond te verklaren en aan haar compensatie voor het jaar 2011 toe te kennen. [appellante] heeft gesteld dat de Dienst Toeslagen haar in 2009 heeft geadviseerd om het rekeningnummer waarop de kinderopvangtoeslag wordt uitbetaald te wijzigen naar het rekeningnummer van haar toeslagpartner. Volgens de BAC is de situatie van [appellante] vergelijkbaar met de situatie dat de kinderopvangtoeslag direct op de rekening van de kinderopvanginstelling werd uitbetaald. [appellante] heeft aannemelijk gemaakt dat zij door het handelen van derden, in dit geval haar ex-toeslagpartner, buiten eigen schuld klem is komen te zitten. Dit is hardheid van het stelsel, aldus de BAC.
4.       De Dienst Toeslagen heeft in het besluit op bezwaar het advies van de BAC niet gevolgd. De situatie van [appellante] is volgens de Dienst Toeslagen niet gelijk aan de situatie dat de kinderopvangtoeslag direct op de rekening van de kinderopvanginstelling werd uitbetaald. [appellante] heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar namelijk ook verklaard dat de aan de ex-toeslagpartner uitbetaalde bedragen zijn gebruikt om de opvang te betalen. Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming op grond van hardheid van het stelsel, in het geval van de bijzondere situatie dat de kinderopvangtoeslag direct op de rekening van de kinderopvanginstelling werd uitbetaald, geldt dat het uitbetaalde en later teruggevorderde bedrag niet ten goede mag zijn gekomen aan de ouder. Omdat de uitbetaalde kinderopvangtoeslag is gebruikt om de opvang te betalen, zijn de uitbetalingen ten goede gekomen aan de ouder en is er geen sprake van hardheid van het stelsel, aldus de Dienst Toeslagen.
De uitspraak van de rechtbank
5.       De rechtbank is van oordeel dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Dienst Toeslagen in 2009 heeft geadviseerd om de kinderopvangtoeslag voortaan te laten uitbetalen op het rekeningnummer van de toeslagpartner. [appellante] heeft geen stukken ingebracht waaruit dat kan worden opgemaakt. De situatie van [appellante] is niet vergelijkbaar met de situatie dat de kinderopvangtoeslag is uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling. [appellante] is vanaf 24 januari 2011 verantwoordelijk voor [kind B], omdat zij bij haar woonde. De kinderopvangtoeslag is tot en met 15 april 2011 uitbetaald op de rekening van de toeslagpartner. Omdat [appellante] de wijziging van het rekeningnummer op 20 april 2011 heeft doorgegeven, is de doorbetaling van de kinderopvangtoeslag op het rekeningnummer van de toeslagpartner na de relatiebreuk veroorzaakt door het late doorgeven van de wijziging door [appellante]. Hoewel de rechtbank het aannemelijk vindt dat de toeslagpartner de kinderopvang voor [kind B] in de periode maart tot en met mei 2011 niet heeft betaald en de toeslag over die periode wel op zijn rekening is gestort, maakt dit niet dat er sprake is van hardheid van het stelsel. De kinderopvangtoeslag is namelijk vanaf 2009 op eigen verzoek van [appellante] uitbetaald op de rekening van de toeslagpartner. Daarnaast is een toeslagpartner geen derde, zoals bedoeld in de voorbeelden van bijzondere omstandigheden zoals beschreven in de geschiedenis van de totstandkoming bij de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) (Kamerstukken II, 2021/22, 36 151, nr. 3). Voor zover [appellante] stelt dat de terugvorderingsbeschikking van 8 september 2011 van € 1.420,00 betrekking heeft op de kinderopvangtoeslag, is niet aannemelijk dat deze terugvordering ziet op het jaar 2011. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het zonder toestemming van de bezwaarmaker niet als zodanig behandelen van een bezwaarschrift in strijd is met artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Maar dit betekent niet zonder meer dat er sprake is van vooringenomen handelen. In de omstandigheden van dit geval zijn er geen aanknopingspunten dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld door het bezwaar van [appellante] te behandelen als een verzoek om informatie, aldus de rechtbank.
Hoger beroep en oordeel van de Afdeling
Hardheid van het stelsel
6.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij slachtoffer is geworden van de toeslagenaffaire. Er is wel sprake van hardheid van het stelsel rond de uitkering van de kinderopvangtoeslag over 2011. De Dienst Toeslagen heeft haar in 2009 een verkeerd advies gegeven over het gebruiken van een rekeningnummer van een ander dan de aanvrager voor de uitbetaling van de kinderopvangtoeslag. Zij heeft aannemelijk gemaakt dat zij door het handelen van derden buiten eigen schuld klem is komen te zitten en dat dit is terug te voeren op het advies dat de Dienst Toeslagen haar in 2009 heeft gegeven. Daar komt bij dat het met ingang van 1 december 2013 niet meer mogelijk is om de kinderopvangtoeslag op een ander rekeningnummer te laten overmaken dan op het rekeningnummer van de rechthebbende. Hieruit volgt dat het een verkeerde situatie was dat de kinderopvangtoeslag tot en met april 2011 op de rekening van haar ex-toeslagpartner is gestort. [appellante] betoogt daarbij dat haar situatie vergelijkbaar is met de situatie dat de kinderopvangtoeslag is uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling. De teveel uitbetaalde kinderopvangtoeslag werd bij haar teruggevorderd, terwijl de toeslag tot en met april 2011 werd uitbetaald op de rekening van haar ex-toeslagpartner. Verder stelt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de terugvorderingsbeschikking van 8 september 2011 van € 1 420,00 geen betrekking heeft op de toeslag over het jaar 2011.
6.1.    Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3) volgt dat van hardheid van het stelsel als bedoeld in onderdeel b sprake is als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.
Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als:
- een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoonbaar - geheel of gedeeltelijk - niet ten goede komt aan de belanghebbende;
- een derde, bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie, op een andere wijze fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende; of
- een door de belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan — tenzij de belanghebbende na herhaalde verzoeken van de Dienst Toeslagen de geringe formele tekortkoming niet heeft hersteld, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was.
Er is op zichzelf geen sprake van een bijzondere omstandigheid als:
- de belanghebbende te kwader trouw is;
- de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en het aantal uren kinderopvang op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag is berekend in dat berekeningsjaar;
- de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend.
Deze opsommingen zijn niet limitatief. Er kunnen dus nog aanvullende omstandigheden voor hardheid van het stelsel zijn.
6.2.    Bij beschikking van 4 december 2010 is aan [appellante] een voorschot voor de kinderopvangtoeslag over het jaar 2011 toegekend van €15.665,00. Van december 2010 tot en met april 2011 is vijfmaal een bedrag van € 1.305,00 uitgekeerd op het rekeningnummer van de ex-toeslagpartner van [appellante]. In mei en juni 2011 is een voorschot van € 1.305,00 en in juli en augustus 2011 is een voorschot van € 1.306,00 uitgekeerd op het rekeningnummer van [appellante].
De Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat de hoogte van het voorschot voor het jaar 2011 meermaals is herzien naar aanleiding van door [appellante] doorgegeven wijzigingen. Op 20 april 2011 heeft [appellante] het rekeningnummer waarop de kinderopvangtoeslag werd uitbetaald, gewijzigd naar haar eigen rekeningnummer. Ook heeft zij op deze datum doorgegeven dat de kinderopvangtoeslag voor [kind A] moet worden stopgezet, omdat [kind A] bij haar ex-toeslagpartner is gaan wonen. Op 22 april 2011 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] bevestigd dat het rekeningnummer is gewijzigd. De stopzetting van de kinderopvangtoeslag voor [kind A] is in augustus 2011 verwerkt. Daardoor heeft [appellante] in de periode mei tot en met september 2011 kinderopvangtoeslag uitbetaald gekregen voor twee kinderen, terwijl er slechts recht was op kinderopvangtoeslag voor één kind. In de periode september tot en met december 2011 heeft [appellante] daarom geen kinderopvangtoeslag uitbetaald gekregen.
Bij beschikking van 22 oktober 2013 is de kinderopvangtoeslag over het jaar 2011 definitief vastgesteld op € 11.078,00.
6.3.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er over het jaar 2011 geen sprake is geweest van hardheid van het stelsel. De kinderopvangtoeslag is in het geval van [appellante] tot en met april 2011 uitbetaald op de rekening van haar ex-toeslagpartner. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Dienst Toeslagen haar in 2009 een advies zou hebben gegeven over de uitbetaling van de kinderopvangtoeslag op het rekeningnummer van haar toeslagpartner. Zij heeft ook in hoger beroep geen stukken ingebracht waaruit kan worden opgemaakt dat de Dienst Toeslagen een advies of een onjuist advies heeft gegeven. Verder is de situatie van [appellante] niet vergelijkbaar met de situatie waarin de kinderopvangtoeslag is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de ex-toeslagpartner van [appellante] geen derde is, zoals bedoeld in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wht (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3). Zoals [appellante] zelf heeft verklaard, zijn de op de rekening van haar ex-toeslagpartner uitbetaalde bedragen tot maart 2011 gebruikt om de kinderopvang te betalen en daarmee ten goede gekomen aan [appellante]. [appellante] heeft toegelicht dat zij, na de beëindiging van de relatie, vanaf maart 2011 de kinderopvang voor [kind B] moest betalen, maar hiervoor op haar rekening geen kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Dat komt echter doordat [appellante] pas op 20 april 2011 aan de Dienst Toeslagen heeft doorgegeven dat het rekeningnummer moest worden gewijzigd. De stelling dat het sinds 1 december 2013 niet meer mogelijk is om de kinderopvangtoeslag uit te betalen op een rekeningnummer van een derde leidt niet zonder meer tot de conclusie dat er hardheid van het stelsel is geweest. Het enkele feit dat de regels zijn veranderd, betekent niet dat de oude regels vallen onder de definitie van hardheid van het stelsel.
6.4.    [appellante] heeft gelijk dat de terugvorderingsbeschikking van 8 september 2011, anders dan de rechtbank heeft overwogen, ziet op een terugvordering van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2011. Maar dit maakt het voorgaande niet anders. Deze terugvorderingsbeschikking heeft te maken met de herziening van het voorschot kinderopvangtoeslag tot een bedrag van € 10.327,00 bij brief van 10 september 2011, naar aanleiding van de wijziging van [appellante] van kinderopvangtoeslag voor twee kinderen naar één kind. Daardoor moest zij € 1.420,00 terugbetalen voor door haar teveel ontvangen voorschotten over de periode van mei tot en met september 2011. Het voorschot is daarna, naar aanleiding van een wijziging van [appellante], bij brief van 3 december 2011 nogmaals herzien, tot een bedrag van € 11.039,00. Daardoor kreeg zij € 712,00 nabetaald. De terugvorderingsbeschikking van 8 september 2011 is dus geen gevolg van hardheid van het stelsel, maar ingegeven door een herziening van het voorschotbedrag naar aanleiding van een wijziging die [appellante] had doorgegeven.
6.5.    Het betoog slaagt niet.
Bezwaar als informatieverzoek
7.       [appellante] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank heeft miskend dat de Dienst Toeslagen haar bezwaar ten onrechte heeft aangemerkt als informatieverzoek. Daarom kan geconcludeerd worden dat sprake is van vooringenomen handelen, aldus [appellante].
7.1.    Het zonder toestemming van de bezwaarmaker niet als zodanig behandelen van een bezwaarschrift is in strijd met artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Zonder verdere aanknopingspunten, die in dit geval ontbreken, kan echter uit de handelwijze van de Dienst Toeslagen om het bezwaar op te vatten als een verzoek om informatie niet worden afgeleid dat alleen al daarom sprake was van vooringenomen handelen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5599, onder 4.2).
7.2.    Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J.Q. Oskam, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Oskam
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
1067
BIJLAGE
Wettelijk kader
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
2. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.
3. Aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met zevende lid, wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend.
4. Een aanvrager van een kinderopvangtoeslag als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, komt niet in aanmerking voor compensatie van schade met betrekking tot een berekeningsjaar waarover minder dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of het recht op kinderopvangtoeslag met minder dan € 1.500 is verlaagd.
5. De compensatie en de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade blijven achterwege voor zover op een andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming ter zake is voorzien of voor zover aan de aanvrager een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 49c van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, zoals dit luidde ten tijde van de aanvraag van de O/GS-tegemoetkoming, of als bedoeld in artikel 2.6 is toegekend.