ECLI:NL:RVS:2026:4285
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag wegens ontbreken hardheid van het stelsel
Appellante verzocht compensatie uit de Catshuisregeling voor de kinderopvangtoeslag over 2011, nadat zij in 2009 het rekeningnummer voor de toeslaguitbetaling wijzigde naar dat van haar toeslagpartner. Na beëindiging van de relatie woonde één kind bij haar en één bij de ex-partner. De Dienst Toeslagen weigerde compensatie, omdat de situatie niet voldeed aan de criteria voor hardheid van het stelsel.
De rechtbank oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij in 2009 een verkeerd advies had gekregen en dat de toeslagpartner geen derde was zoals bedoeld in de wet. De uitbetaling op het rekeningnummer van de ex-partner was op eigen verzoek van appellante en de terugvordering betrof een herziening van het voorschot, niet hardheid van het stelsel.
In hoger beroep stelde appellante dat zij slachtoffer was van de toeslagenaffaire en dat de situatie vergelijkbaar was met uitbetaling aan een kinderopvanginstelling. De Afdeling verwierp dit, bevestigde de eerdere oordelen en concludeerde dat de terugvordering terecht was en dat het bezwaar niet onterecht als informatieverzoek was behandeld.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; appellante krijgt geen compensatie toegekend.