ECLI:NL:RVS:2025:5599
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing compensatie toeslagenjaren 2014 en 2017 wegens vermeend vooringenomen handelen
Appellant heeft zich in april 2020 gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over 2014 en 2017. De Dienst Toeslagen heeft dit verzoek afgewezen op basis van een advies van de Commissie van Wijzen, die geen institutioneel vooringenomen handelen constateerde.
Appellant maakte bezwaar tegen deze afwijzing, stellende dat er wel sprake was van vooringenomenheid. De bezwaarschriftenadviescommissie oordeelde dat voor 2014 sprake was van een fundamentele schending van een rechtsbeginsel en adviseerde compensatie toe te kennen, maar de Dienst Toeslagen volgde dit niet. Voor 2017 werd geen compensatie toegekend omdat de toeslag nihil was gesteld vanwege niet-betaalde opvangkosten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat geen vooringenomen handelen was gebleken en dat de schuld over 2017 terecht was meegenomen in de beslissing. In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat de Dienst Toeslagen bezwaren niet als zodanig behandelde en dat de schuld inmiddels was afbetaald. De Raad van State verwierp deze argumenten, bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van compensatie voor de toeslagjaren 2014 en 2017 wordt bevestigd.