ECLI:NL:RVS:2026:4287
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake inzageverzoek persoonsgegevens Wet politiegegevens
Appellant verzocht op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) om inzage in zijn persoonsgegevens bij de rijksrecherche, waarbij het college van procureurs-generaal als verwerkingsverantwoordelijke fungeert. Na aanvankelijke weigering heeft het college het verzoek uiteindelijk toegewezen, maar de rechtbank Amsterdam vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering van de zoekslagen.
De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom niet op bepaalde termen, zoals de naam van een bedrijf van appellant en mailboxen van oud-medewerkers, was gezocht. Het college nam een nieuw besluit, maar appellant ging in hoger beroep omdat het college niet op zijn telefoonnummers had gezocht, terwijl er aanwijzingen waren dat die relevant konden zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak volgt het oordeel van de rechtbank deels, maar oordeelt dat het college wel op de telefoonnummers van appellant had moeten zoeken. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze het college niet opdroeg een nieuw besluit te nemen over de telefoonnummers. Het college wordt opgedragen dit alsnog te doen. Het beroep tegen het nieuwe besluit van het college wordt ongegrond verklaard. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over de zoekslag op telefoonnummers van appellant.