ECLI:NL:RVS:2026:4313

Raad van State

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
BRS.26.002556
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens niet toewijzen proceskosten in bewaringstelling

Appellant is bij besluit van 30 april 2026 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

In het hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de rechtbank ten onrechte de minister niet in de proceskosten had veroordeeld, ondanks dat er gebreken waren in het voortraject, zoals het gebruik van een niet beëdigde tolk en het ontbreken van een Verklaring Omtrent het Gedrag. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat deze klacht terecht was en dat de rechtbank de minister had moeten veroordelen in de proceskosten.

De Afdeling vernietigde daarom het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de minister niet in de proceskosten veroordeelde, bevestigde de rest van de uitspraak en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant, inclusief die van het hoger beroep. De bewaring zelf werd niet onrechtmatig bevonden en er waren geen relevante vragen over Unierecht aan de orde.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de minister niet in de proceskosten is veroordeeld; de minister moet deze kosten vergoeden.

Uitspraak

BRS.26.002556
Datum uitspraak: 24 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 mei 2026 in zaak nr. NL26.24581 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 30 april 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 18 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Schoneveld, advocaat in Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Wat appellant in de eerste en tweede grief aanvoert over de ondertekening van de maatregel, de in het voortraject geconstateerde gebreken, de daaropvolgende belangenafweging en de vraag of een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast, kan niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leiden. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven in zoverre geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.        Appellant klaagt in de tweede grief wel terecht dat de rechtbank de minister ten onrechte niet heeft veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft namelijk overwogen dat aan het voortraject twee gebreken kleven. Appellant is op een onjuiste grondslag opgehouden en de minister heeft na het gebruik van een niet beëdigde tolk, geen Verklaring Omtrent het Gedrag overhandigd. De rechtbank had daarom aanleiding moeten zien om de minister te veroordelen in de proceskosten, omdat deze gebreken betrekking hebben op de staandehouding, overbrenging of ophouding. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet gedaan. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraken van 15 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1544, en van 26 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1650, onder 2.2.
2.1.        De tweede grief slaagt in zoverre.
3.        De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij de minister niet heeft veroordeeld in de proceskosten. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige. De minister moet de proceskosten die de rechtbank in beroep ten onrechte niet heeft toegekend en de proceskosten van het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 mei 2026 in zaak nr. NL26.24581, voor zover zij heeft nagelaten de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van bij appellant opgekomen proceskosten;
III.        bevestigt die uitspraak voor het overige;
IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M Vos, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026
644-1182