ECLI:NL:RVS:2026:4335
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende medische urgentie en voorzienbaarheid huisvestingsprobleem
Appellante, woonachtig in een te kleine tweekamerwoning met drie minderjarige kinderen, vroeg op medische gronden een urgentieverklaring aan. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af op basis van drie algemene weigeringsgronden uit de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024: geen urgent huisvestingsprobleem, het probleem was redelijkerwijs te voorkomen, en onvoldoende binding met Amsterdam.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college terecht had geoordeeld dat er geen urgent huisvestingsprobleem was, mede omdat een te kleine woning op zichzelf geen urgentie oplevert en appellante niet voldeed aan de strenge medische voorwaarden, waaronder het ontbreken van een lopende tweedelijns behandeling.
Verder was het huisvestingsprobleem voorzienbaar omdat appellante haar gezin uitbreidde zonder passende woonruimte. De bindingseis werd niet toegepast omdat de echtgenoot niet tot het huishouden behoort. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat geen acuut levensbedreigend medisch probleem was aangetoond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.