ECLI:NL:RVS:2026:4432
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Raad van State bevestigt vergunning voor kamerbewoning ondanks bezwaren over overlast en clustering
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verleende op 20 september 2022 een vergunning voor kamerbewoning door maximaal zes personen in een woning aan de [locatie 1]. Deze vergunning legaliseert de bestaande situatie waarin zes studenten in de woning verblijven. Een naastbewoner, appellante, maakte bezwaar tegen deze vergunning vanwege ervaren overlast en de concentratie van studentenhuizen in de buurt. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond en ook de rechtbank Rotterdam wees het beroep van appellante af.
In hoger beroep betoogde appellante dat het college onvoldoende rekening had gehouden met de clustering van studentenhuizen en de negatieve effecten daarvan op het woonmilieu en de leefbaarheid, zoals geluidsoverlast, afval en sociale verloedering. Het college verwees naar de overgangsregeling in de Verordening 2021, waardoor het clustercriterium niet van toepassing is als de kamerbewoning al bestond op 31 december 2019. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college terecht de vergunning heeft verleend, mede omdat er geen concrete meldingen van overlast waren en de bestaande situatie werd gelegaliseerd.
De Afdeling benadrukte dat het beleid van de gemeente gericht is op het voorkomen en bestrijden van algemene woonoverlast en dat de algemene overlast die appellante ervaart niet leidt tot weigering van de vergunning. De eerdere jurisprudentie over de Verordening 2019 is niet van toepassing op deze zaak vanwege de overgangsregeling in de Verordening 2021. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunning voor kamerbewoning wordt bevestigd.