ECLI:NL:RVS:2026:4446

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202407702/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 6:38 BWArt. 6:39 BWArt. 6:248 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek overneming private schulden toeslagenaffaire wegens niet-opeisbaarheid

In deze zaak heeft appellante, als gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht om overname van private schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het ging om twee schulden, respectievelijk aan Quander en Primeline, die de minister heeft geweigerd over te nemen omdat zij niet voldeden aan de voorwaarden van opeisbaarheid vóór 1 juni 2021 en er geen sprake was van betalingsachterstanden.

De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, stellende dat de schulden weliswaar openstonden, maar niet opeisbaar waren omdat er geen incassomaatregelen waren getroffen en de schuldeisers schriftelijk bevestigden dat er geen betalingsachterstanden waren. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat de wetgever bewust onderscheid maakt tussen schulden met en zonder betalingsachterstand.

In hoger beroep betoogde appellante dat voor opeisbaarheid geen schriftelijke ingebrekestelling vereist is en dat het onderscheid in behandeling onrechtvaardig is. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde echter dat opeisbaarheid wordt bepaald aan de hand van het Burgerlijk Wetboek en dat de schuld pas opeisbaar is na het verstrijken van een betalingstermijn zonder betaling. Omdat appellante steeds tijdig betaalde, waren de schulden niet opeisbaar.

De Afdeling oordeelde dat het beroep op het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel niet slaagt, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag tot overneming van private schulden bevestigd.

Uitspraak

202407702/1/A2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2024 in zaak nr. 24/3345 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om overneming van private schulden afgewezen.
Bij besluit van 6 mei 2024 heeft de minister, in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 april 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. M. Kartal, advocaat in Amsterdam, via een videoverbinding heeft deelgenomen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S. Akkas en mr. M. Bouhoud, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       In deze zaak gaat het over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).
2.       In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt dat het bij schulden die worden overgenomen moet gaan om geldschulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. In artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht is opgenomen dat de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden, niet worden overgenomen.
3.       [appellante] is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de minister verzocht om overname van private schulden. Het gaat om een schuld van € 2.499,00 aan Quander en een schuld van € 1.250,00 aan Primeline. De minister heeft geweigerd deze schulden over te nemen, omdat beide schulden niet voldoen aan de daarvoor in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht gestelde voorwaarden. De schulden waren niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar en bij beide schulden was geen sprake van een betalingsachterstand. De minister heeft de afwijzing van deze aanvraag in bezwaar gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht heeft geweigerd de schulden van [appellante] over te nemen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat deze vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren. Zij heeft hiertoe overwogen dat de schulden op 1 juni 2021 weliswaar openstonden, maar er op dat moment geen betalingsachterstanden waren, de schuldeisers de schulden niet hebben opgeëist en er geen incassomaatregelen waren getroffen. De rechtbank acht het verder niet aannemelijk dat de schulden mondeling zijn opgeëist, omdat de schuldeisers schriftelijk hebben bevestigd dat er geen betalingsachterstanden waren op 31 mei 2021 en dat de schulden nooit zijn opgeëist.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Zij heeft daartoe overwogen dat de wetgever bewust onderscheid heeft gemaakt tussen ouders die vóór 1 juni 2021 te maken hadden met opeisbare schulden en incassomaatregelen, en ouders bij wie dat niet het geval was. Omdat [appellante] niet te maken had met incassomaatregelen, is volgens de rechtbank geen sprake van vergelijkbare gevallen die door de minister anders zijn behandeld.
Het hoger beroep en de beoordeling daarvan
Opeisbaarheid
5.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de schulden op grond van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht, niet opeisbaar waren. Zij voert aan dat voor de opeisbaarheid geen officiële schriftelijke ingebrekestelling is vereist.
5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zijn voor de beantwoording van de vraag of en op welk moment een schuld opeisbaar is geworden, de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek (het BW) bepalend. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5101, onder 7. Een schuld is in de regel opeisbaar wanneer de schuldeiser nakoming kan vorderen. Artikel 6:38 van Pro het BW bepaalt dat wanneer geen termijn voor nakoming is bepaald de verbintenis direct opeisbaar is. Is wel een termijn voor nakoming bepaald, dan is de verbintenis pas na het verstrijken van die termijn opeisbaar (artikel 6:39 van Pro het BW). Of al dan niet een termijn voor nakoming is bepaald, vloeit voort uit wat partijen zijn overeengekomen en uit wat volgt uit de wet, de gewoonte en de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 van Pro het BW). Artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht verlangt slechts dat sprake is van een vóór 1 juni 2021 opeisbare schuld. Niet relevant is dus of een schuldeiser met een opeisbare vordering voor 1 juni 2021 ook daadwerkelijk al stappen tot invordering of opeising heeft gezet. Dat strookt ook met de bedoeling van de wetgever, die met de private schuldenregeling heeft beoogd om gedupeerden van de toeslagenaffaire, die te kampen hadden met betalingsachterstanden en opeisbare schulden en dientengevolge mogelijke incassomaatregelen of de dreiging daarvan, een nieuwe start te bieden.
5.2.    [appellante] voldeed maandelijks aan haar betalingsverplichtingen. De maandelijkse aflossingen duiden erop dat tussen [appellante] en de schuldeisers betalingstermijnen waren overeengekomen. Zoals onder 5.1 is overwogen, wordt een schuld in dat geval pas opeisbaar als de maandelijkse betalingstermijn is verstreken zonder dat is betaald. Omdat [appellante] vóór 1 juni 2021 aan alle betalingstermijnen heeft voldaan, en er geen achterstallige betalingen waren, waren er geen opeisbare schulden die voor overname in aanmerking kwamen.
5.3.    Het betoog slaagt niet.
Toetsing aan rechtsbeginselen
6.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de afwijzing van haar aanvraag om de schulden over te nemen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Zij voert aan dat het onderscheid dat wordt gemaakt tussen gedupeerde ouders met een betalingsachterstand, omdat zij zich niet hebben gehouden aan hun betalingsverplichtingen, en [appellante], die onder moeilijke omstandigheden wel aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan, niet rechtvaardig is.
6.1.    De gronden die [appellante] aanvoert, gaan over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, onder 10 e.v.). Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Conclusie
7.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
705-1189