ECLI:NL:RVS:2026:468
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet in behandeling nemen paspoortaanvraag minderjarige dochter wegens onvoldoende bewijs identiteit en Nederlanderschap
De appellant diende op 10 augustus 2021 bij de Nederlandse ambassade in Nairobi een aanvraag in voor een Nederlands paspoort voor zijn minderjarige dochter. Hij overhandigde diverse documenten, waaronder kopieën van Somalische geboorte- en identiteitsbewijzen, een consulaire verklaring en een huwelijksakte. Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst concludeerde echter dat de documenten niet betrouwbaar waren, mede omdat ze afweken van referentiemateriaal en vermoedelijk niet bevoegd waren opgemaakt.
De minister nam de aanvraag niet in behandeling omdat de identiteit en het Nederlanderschap van de dochter niet konden worden vastgesteld op basis van de aangeleverde documenten. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de minister daartoe bevoegd was en dat de bewijslast bij de aanvrager lag. De rechtbank verwierp het beroep van appellant en stelde dat DNA-onderzoek niet volstond zonder erkende documenten.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de identiteit wel kon worden vastgesteld op basis van het huwelijk en DNA-onderzoek. De Raad van State oordeelde dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank konden weerleggen. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de minister terecht de paspoortaanvraag niet in behandeling heeft genomen wegens onvoldoende bewijs van identiteit en Nederlanderschap.