ECLI:NL:RVS:2026:472

Raad van State

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
202503035/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake intrekking toevoeging rechtsbijstand en drempelbedrag Wrb

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, waarin het beroep van [appellant] ongegrond werd verklaard. De zaak betreft de intrekking van een toevoeging voor rechtsbijstand die aan [partij] was verleend. De Raad voor Rechtsbijstand had op 13 april 2022 besloten de toevoeging in te trekken, omdat [partij] een vordering had die boven het drempelbedrag van € 15.873,50 lag. Echter, na bezwaar van [partij] heeft de Raad op 4 oktober 2022 dit besluit herroepen en de toevoeging in stand gelaten, omdat het uiteindelijke resultaat van de procedure lager was dan het drempelbedrag. De rechtbank bevestigde deze beslissing, wat leidde tot het hoger beroep van [appellant]. Tijdens de zitting op 23 december 2025 werd de zaak behandeld, waarbij [appellant] en de Raad vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en mr. P.S.J. de Koning aanwezig waren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het resultaat van de procedure niet boven het drempelbedrag uitkwam, en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

202503035/1/A2.
Datum uitspraak: 28 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], gevestigd in [plaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 24 april 2025 in zaak nr. 22/2802 in het geding tussen:
[appellant]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.
Procesverloop
Bij besluit van 13 april 2022 heeft de raad de aan [partij] verleende toevoeging ingetrokken.
Bij besluit van 4 oktober 2022 heeft de raad het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 13 april 2022 herroepen en daarmee de toevoeging in stand gelaten.
Bij uitspraak van 24 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 december 2025, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en mr. P.S.J. de Koning, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij] gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1.       Op 26 augustus 2019 heeft [appellant] namens [partij] bij de raad een aanvraag ingediend om een toevoeging voor rechtsbijstand voor een arbeidsgeschil van [partij]. Bij besluit van 30 augustus 2019 heeft de raad deze aanvraag ingewilligd. Bij vonnis van 12 januari 2022 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant [partij] in het gelijk gesteld en, voor zover hier van belang, de voormalige werkgever van [partij] veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon en de proceskosten van [partij].
Wettelijk kader
2.       Artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) luidt:
Tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten, wordt de toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken, indien:
(…)
b. op het moment van de definitieve afhandeling van de zaak waarvoor die toevoeging was verleend de rechtzoekende als resultaat van die zaak een vordering met betrekking tot een geldsom ter hoogte van tenminste 50% van het drempelbedrag, genoemd in artikel 9.4a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft.
Besluitvorming
3.       Bij aanvraag van 21 februari 2022 heeft [appellant] de raad verzocht om vergoeding van de door hem verleende rechtsbijstand aan [partij] en daarbij een financieel resultaat vermeld van € 26.838,00. Bij brief van 1 april 2022 heeft de raad [partij] geïnformeerd over het voornemen om de toevoeging in te trekken. Hierop heeft [partij] een zienswijze naar voren gebracht. Bij besluit van 13 april 2022 heeft de raad de toevoeging ingetrokken omdat [partij] een vordering heeft op een geldsom die boven het drempelbedrag ligt.
4.       De raad heeft bij het besluit van 4 oktober 2022 het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 13 april 2022 herroepen en de aan [partij] verstrekte toevoeging in stand gelaten. De raad heeft vastgesteld dat [partij] naar aanleiding van de gevoerde procedure een geldbedrag van € 16.370,27 heeft gekregen. Dit bedrag ligt boven het drempelbedrag van € 15.873,50 en dit zou in beginsel betekenen dat op grond van artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb, de toevoeging wordt ingetrokken. De raad concludeert echter dat niet alle ontvangen bedragen tot het resultaat mogen worden gerekend en dat het resultaat van de procedure € 15.577,52 bedraagt. Omdat dit lager is dan het drempelbedrag, wordt de toevoeging niet ingetrokken.
5.       [appellant] kon zich met dit besluit niet verenigen en heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
Aangevallen uitspraak
6.       De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard en geoordeeld dat de raad terecht de door de rechtbank aan [partij] toegekende proceskosten in mindering heeft gebracht op het resultaat van de procedure.
Beoordeling van het hoger beroep
7.       [appellant] betoogt dat de rechtbank het besluit van de raad om de toevoeging niet in te trekken ten onrechte in stand heeft gelaten. Volgens [appellant] moeten de salariskosten die de civiele rechter in het vonnis heeft toegekend tot het resultaat worden gerekend. Daarnaast moet ook de toegekende vergoeding voor het griffierecht en de betekeningskosten tot het resultaat worden gerekend. In dit kader voert [appellant] aan dat [partij] op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken vanwege haar vermogenspositie destijds niet € 499,00 aan griffierecht heeft betaald maar het verlaagde griffierecht van € 83,00 en dat zij de kosten voor de betekening van de dagvaarding niet zelf heeft hoeven dragen. Ten slotte had de rechtbank volgens zich [appellant] een oordeel moeten geven over de hoogte van de naheffing inkomstenbelasting.
8.       Voordat de Afdeling afzonderlijk op deze gronden ingaat, overweegt zij het volgende. [appellant] heeft zich in algemene zin op het standpunt gesteld dat alles wat in de procedure aan de rechtszoekende is toegewezen, tot het resultaat moet worden gerekend. Naar het oordeel van de Afdeling berust dit op een onjuiste uitleg van artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat deze bepaling zo moet worden uitgelegd dat voor het resultaat van de procedure moet worden gekeken naar wat de inzet was van de procedure, niet naar alles wat onder de streep in de procedure aan de rechtszoekende is toegewezen. De Afdeling acht deze uitleg juist. Dit betekent dat voor het berekenen van het resultaat moet worden bekeken wat het doel was van de procedure. Tegen deze achtergrond zal de Afdeling hierna bespreken of de door [appellant] genoemde bedragen moeten worden gerekend tot het resultaat van de procedure.
Salaris van de gemachtigde
9.       De civiele rechter heeft in het vonnis de voormalige werkgever van [partij] veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [partij]. Hiertoe heeft de rechtbank het salaris van de gemachtigde van [partij] forfaitair vastgesteld op € 932,50. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat dit bedrag niet tot het resultaat van de procedure behoort. [partij] heeft dit bedrag van haar voormalige werkgever ontvangen en dit betreft daarom een direct resultaat van de procedure.
9.1.    De Afdeling volgt [appellant] niet in dit betoog. Allereerst merkt de Afdeling op dat de proceskostenveroordeling niet de inzet was van de procedure. Daarnaast volgt uit artikel 32, derde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en de in lijn daarmee vastgestelde werkinstructie van de raad, dat de proceskostenveroordeling altijd toekomt aan de advocaat. Rechtszoekenden verklaren hiermee akkoord te gaan bij het aanvragen van de toevoeging. Dit staat ook in de bijlage bij het besluit van 30 augustus 2019. Onder het kopje ‘proceskostenveroordeling’ staat:
"De raad brengt een eventuele proceskostenvergoeding voor de salariskosten van uw advocaat altijd in mindering op de vergoeding aan de advocaat. Op het aanvraagformulier voor de gesubsidieerde rechtsbijstand is de verklaring opgenomen dat u ermee bekend bent dat u het recht op de ontvangst van de proceskostenvergoeding overdraagt aan de advocaat.".
9.2.    Zoals de Afdeling al eerder heeft geoordeeld volgt uit de systematiek van de Wrb dat de besluitvorming over de vaststelling van de vergoeding moet worden onderscheiden van een besluit over de toevoeging. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2048). Omdat de raad de door de advocaat ontvangen proceskostenvergoeding meeneemt bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding, kan dit bedrag niet ook worden meegenomen bij de besluitvorming over de toevoeging. Gelet op de daarover gemaakte afspraken maakt namelijk niet [partij], maar [appellant] aanspraak op dit bedrag. De raad heeft dit bedrag daarom terecht niet gerekend tot het resultaat van de procedure.
9.3.    Het betoog slaagt niet.
Griffierecht en dagvaardingskosten
10.     Daargelaten wat [partij] daadwerkelijk heeft betaald aan griffierecht en/of betekeningskosten, kan de toekenning van het bedrag van € 599,89 niet worden gerekend tot het resultaat van de procedure. Het betreft een vergoeding van in de procedure gemaakte kosten, dit betreft geen resultaat van de procedure als bedoeld in artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb. Alleen al hierom heeft de raad deze kosten terecht buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van het resultaat van de procedure. Het betoog slaagt niet.
Overige gronden
11.     Gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen komt zij tot het oordeel dat de rechtbank het beroep van [appellant] terecht ongegrond heeft verklaard omdat het resultaat van de procedure niet boven het drempelbedrag uitkomt. De gronden over de hoogte van de naheffing inkomstenbelasting en het niet uitspreken van een proceskostenveroordeling door de rechtbank behoeven om die reden geen nadere bespreking.
Conclusie
12.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
13.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Uylenburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026
1064