ECLI:NL:RVS:2026:472
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toevoeging rechtsbijstand wegens overschrijding drempelbedrag
Op 26 augustus 2019 heeft appellant namens partij een toevoeging voor rechtsbijstand aangevraagd voor een arbeidsgeschil, welke op 30 augustus 2019 werd toegekend. De rechtbank stelde partij in het gelijk en veroordeelde de voormalige werkgever tot betaling van achterstallig loon en proceskosten. De raad voor rechtsbijstand trok de toevoeging op 13 april 2022 in vanwege een overschrijding van het drempelbedrag, maar herzag dit besluit op 4 oktober 2022 na bezwaar van partij.
Appellant stelde dat het resultaat van de procedure hoger was dan door de raad berekend, onder meer door mee te rekenen met salariskosten, griffierecht en betekingskosten. De Afdeling oordeelde dat alleen het financiële resultaat dat het doel van de procedure weerspiegelt, moet worden meegeteld. Proceskostenveroordelingen en vergoedingen voor griffierecht en betekening zijn geen onderdeel van het resultaat van de procedure.
De Afdeling bevestigde dat de raad de toevoeging terecht in stand heeft gelaten omdat het resultaat van de procedure € 15.577,52 bedroeg, onder het drempelbedrag van € 15.873,50. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toevoeging voor rechtsbijstand blijft in stand omdat het resultaat van de procedure onder het drempelbedrag blijft.