ECLI:NL:RVS:2026:551
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 12 maart 2025 is afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 16 december 2025 ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 4 februari 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de belangen van verzoeker in de asielprocedure worden gewogen tegen het belang van de overheid. De uitspraak voorkomt dat verzoeker onherstelbare schade lijdt door uitzetting voordat het hoger beroep is afgerond.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.