BRS.25.000003
Datum uitspraak: 5 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 31 december 2024 in zaak nr. NL24.50426 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2024 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 31 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep ongegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. T. Esen, advocaat in Zaandam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene heeft, naar gesteld, de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft op 13 november 2024 aan de grens op Schiphol een asielaanvraag ingediend. Diezelfde dag heeft de minister hem in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 (hierna: de eerste maatregel). Naar aanleiding van de intrekking door betrokkene van zijn asielaanvraag op 15 november 2024 heeft de minister de eerste maatregel op 19 november 2024 opgeheven en betrokkene op dezelfde dag in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 (hierna: de tweede maatregel). Betrokkene heeft het beroep tegen de eerste maatregel op 22 november 2024 ingetrokken.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft ambtshalve bij de toetsing van de tweede maatregel vastgesteld dat de eerste maatregel uiterlijk op 16 november 2024 opgeheven had moeten worden en daarom drie dagen onrechtmatig heeft voortgeduurd. De rechtbank heeft daarop geoordeeld dat de minister aan betrokkene een schadevergoeding moet betalen voor de drie dagen dat hij tijdens de eerste maatregel onrechtmatig in bewaring is gehouden.
Beoordeling van de grieven van de minister
3. De minister klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank in het beroep tegen de tweede maatregel ten onrechte een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de eerste maatregel en daarmee buiten de omvang van het geding is getreden. Die beoordeling had moeten plaatsvinden in een beroep tegen de eerste maatregel, zie de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5945, onder 4.1 tot en met 4.5. De rechtbank heeft daarom ook ten onrechte een schadevergoeding toegekend wegens de te late omzetting van de eerste maatregel. 3.1. De eerste grief slaagt. De tweede grief van de minister, over de hoogte van de schadevergoeding, behoeft daarom geen bespreking meer.
Conclusie
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij schadevergoeding heeft toegekend. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 31 december 2024 in zaak nr. NL24.50426, voor zover de rechtbank schadevergoeding heeft toegekend.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Boom, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Boom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2026
1058