ECLI:NL:RVS:2026:580

Raad van State

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
BRS.25.000003
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 59 Vw 2000Art. 59b Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring bij intrekking asielaanvraag

Betrokkene, met de Marokkaanse nationaliteit, diende op 13 november 2024 een asielaanvraag in op Schiphol en werd diezelfde dag in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Na intrekking van zijn asielaanvraag op 15 november 2024 werd de eerste maatregel opgeheven en werd betrokkene op 19 november 2024 opnieuw in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van dezelfde wet.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen de tweede maatregel ongegrond, maar kende betrokkene een schadevergoeding toe voor de drie dagen dat de eerste maatregel onrechtmatig voortduurde. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte een inhoudelijk oordeel gaf over de eerste maatregel in het beroep tegen de tweede maatregel, waarmee zij buiten de omvang van het geding trad. De beoordeling van de eerste maatregel behoort in een afzonderlijk beroep te gebeuren. Daarom vernietigt de Afdeling het deel van het vonnis waarin de schadevergoeding werd toegekend en ziet zij geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt de toekenning van schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring en verklaart het hoger beroep van de minister gegrond.

Uitspraak

BRS.25.000003
Datum uitspraak: 5 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 31 december 2024 in zaak nr. NL24.50426 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2024 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 31 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep ongegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. T. Esen, advocaat in Zaandam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.        Betrokkene heeft, naar gesteld, de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft op 13 november 2024 aan de grens op Schiphol een asielaanvraag ingediend. Diezelfde dag heeft de minister hem in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 (hierna: de eerste maatregel). Naar aanleiding van de intrekking door betrokkene van zijn asielaanvraag op 15 november 2024 heeft de minister de eerste maatregel op 19 november 2024 opgeheven en betrokkene op dezelfde dag in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 (hierna: de tweede maatregel). Betrokkene heeft het beroep tegen de eerste maatregel op 22 november 2024 ingetrokken.
De uitspraak van de rechtbank
2.        De rechtbank heeft ambtshalve bij de toetsing van de tweede maatregel vastgesteld dat de eerste maatregel uiterlijk op 16 november 2024 opgeheven had moeten worden en daarom drie dagen onrechtmatig heeft voortgeduurd. De rechtbank heeft daarop geoordeeld dat de minister aan betrokkene een schadevergoeding moet betalen voor de drie dagen dat hij tijdens de eerste maatregel onrechtmatig in bewaring is gehouden.
Beoordeling van de grieven van de minister
3.        De minister klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank in het beroep tegen de tweede maatregel ten onrechte een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de eerste maatregel en daarmee buiten de omvang van het geding is getreden. Die beoordeling had moeten plaatsvinden in een beroep tegen de eerste maatregel, zie de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5945, onder 4.1 tot en met 4.5. De rechtbank heeft daarom ook ten onrechte een schadevergoeding toegekend wegens de te late omzetting van de eerste maatregel.
3.1.        De eerste grief slaagt. De tweede grief van de minister, over de hoogte van de schadevergoeding, behoeft daarom geen bespreking meer.
Conclusie
4.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij schadevergoeding heeft toegekend. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 31 december 2024 in zaak nr. NL24.50426, voor zover de rechtbank schadevergoeding heeft toegekend.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Boom, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Boom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2026
1058