AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen weigering ambtshalve beoordeling verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM
Betrokkene, geboren in 1990, heeft sinds 2004 diverse procedures doorlopen om rechtmatig verblijf in Nederland te verkrijgen, waarbij zijn identiteit lange tijd niet aannemelijk kon worden gemaakt. Pas in 2021 werd zijn Afghaanse nationaliteit vastgesteld. In 2022 vroeg hij een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel onderzoek aan, met een verzoek om humanitaire gronden of toepassing van artikel 8 EVRMPro. De minister verleende een vergunning voor onderzoek, maar maakte geen ambtshalve gebruik van haar bevoegdheid om een vergunning op grond van artikel 8 EVRMPro te verlenen.
De rechtbank oordeelde dat de minister ambtshalve een inhoudelijke beoordeling had moeten maken van de vraag of uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 EVRMPro, gezien de uitzonderlijke situatie van betrokkene. De minister ging in hoger beroep en stelde dat zij niet verplicht is tot een ambtshalve beoordeling, maar wel deugdelijk moet motiveren waarom zij daarvan afziet.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dat de minister niet verplicht is tot een ambtshalve beoordeling, maar wel een deugdelijke motivering moet geven als betrokkene een beroep op artikel 8 EVRMPro doet. De minister had dit in het onderhavige geval voldoende gedaan, mede omdat betrokkene een verblijfsvergunning heeft die hem in staat stelt zijn privéleven in Nederland uit te oefenen. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.
Uitspraak
202403664/1/V1.
Datum uitspraak: 3 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 mei 2024 in zaak nr. NL23.23848 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 9 maart 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Bij besluit van 24 juli 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. F. van Dijk, advocaat in Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene is geboren op [geboortedatum] 1990 en heeft op 15 november 2004 een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 17 augustus 2006 afgewezen, onder meer omdat betrokkene zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Sindsdien heeft betrokkene verschillende procedures doorlopen om rechtmatig verblijf in Nederland te verkrijgen, maar daarbij ondervond hij steeds problemen, omdat hij zijn land van herkomst niet aannemelijk kon maken. Pas in 2021 hebben de Afghaanse autoriteiten de Afghaanse nationaliteit en daarmee de identiteit van betrokkene vastgesteld.
1.1. Betrokkene heeft vervolgens op 2 februari 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel onderzoek. In diezelfde aanvraag heeft hij de minister, gelet op zijn specifieke achtergrond en zeer bijzondere omstandigheden, verzocht om hem een reguliere verblijfsvergunning te verlenen op humanitaire gronden of omdat uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 vanPro het EVRM. Bij het besluit van 9 maart 2022 heeft de minister betrokkene een verblijfsvergunning verleend voor de duur van 1 maart 2022 tot 1 maart 2025 onder de beperking onderzoek en geen toepassing gegeven aan haar ambtshalve bevoegdheid neergelegd in artikel 3.6b van het Vb 2000 om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder een andere beperking dan onderzoek.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat zij het in beginsel navolgbaar vindt dat de minister niet beoordeelt op artikel 8 vanPro het EVRM, als de minister de vergunning ook kan verlenen op de grond waarvoor de aanvraag primair is ingediend. De minister maakt daarmee doorgaans geen inbreuk op de uitoefening van het privéleven en het familie- en gezinsleven van een betrokkene. De minister had volgens de rechtbank in dit geval, gelet op de uitzonderlijke situatie van betrokkene, echter ambtshalve over moeten gaan tot een inhoudelijke beoordeling van de vraag of uitzetting van betrokkene in strijd is met artikel 8 vanPro het EVRM. De uitzonderlijke situatie van betrokkene bestaat volgens de rechtbank uit de onmogelijkheid om zijn privéleven en zijn familie- en gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen, het privéleven dat hij al twintig jaar lang in Nederland heeft opgebouwd en de blijvende onzekerheid over zijn verblijfsstatus die een belemmering vormt voor zijn toekomstperspectief.
Hoger beroep
3. De minister klaagt in haar enige grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister over had moeten gaan tot een beoordeling van de vraag of uitzetting van betrokkene in strijd is met artikel 8 vanPro het EVRM. De minister stelt zich op het standpunt dat zij niet zozeer de plicht, maar de bevoegdheid heeft om ambtshalve een vergunning in verband met artikel 8 vanPro het EVRM te verlenen en dat zij deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij in het geval van betrokkene van die bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt.
Het oordeel van de Afdeling
3.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:187, onder 2.1, is de minister niet verplicht om een ambtshalve beoordeling in het kader van artikel 8 vanPro het EVRM te maken, maar moet zij, als een betrokkene impliciet of expliciet een beroep doet op artikel 8 vanPro het EVRM, deugdelijk motiveren waarom zij geen afweging maakt om gebruik te maken van haar bevoegdheid om — onverminderd de artikelen 3.6 en 3.6a van het Vb 2000 — die betrokkene ambtshalve krachtens artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb 2000 een verblijfsvergunning in verband met artikel 8 vanPro het EVRM te verlenen. Voor een deugdelijke motivering kan de minister verwijzen naar het toepasselijk beleid als zij daarin heeft toegelicht waarom zij in bepaalde gevallen geen gebruik maakt van deze bevoegdheid, of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom zij geen afweging maakt om gebruik te maken van deze bevoegdheid. Vanzelfsprekend kan de minister er ook voor kiezen om zonder een daartoe strekkende aanvraag inhoudelijk te beoordelen of er aanleiding bestaat om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
3.2. De minister betoogt, gelet op het voorgaande, terecht dat de rechtbank met haar oordeel niet heeft onderkend dat de vraag niet is of de minister over had moeten gaan tot een beoordeling of uitzetting van betrokkene in strijd zou zijn met artikel 8 vanPro het EVRM, maar of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij, ondanks haar bevoegdheid neergelegd in artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb 2000, in dit geval geen afweging heeft gemaakt of betrokkene in aanmerking komt voor een vergunning in verband met artikel 8 vanPro het EVRM. Daarbij merkt de Afdeling op dat het in dit verband niet uitmaakt of betrokkene verkeert in een uitzonderlijke situatie. De minister moet naar het oordeel van de Afdeling namelijk in alle gevallen waarin een betrokkene impliciet of expliciet om vergunningverlening in verband met artikel 8 vanPro het EVRM verzoekt een deugdelijke motivering geven. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister die deugdelijke motivering in het geval van betrokkene heeft gegeven. De Afdeling licht dit toe.
3.3. De Afdeling heeft in de uitspraak van 17 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1060, onder 4.2 en 4.3, overwogen dat artikel 8 vanPro het EVRM niet zo ver strekt dat het recht geeft op een bepaald type vergunning, op voorwaarde dat de nationale autoriteiten de aanvrager in staat stellen om ongehinderd zijn of haar recht op privéleven en familie- en gezinsleven uit te oefenen. Daarbij is overwogen dat de minister, ook als zij een vergunning met een tijdelijk karakter verleent, niet vooruit hoeft te lopen op de hypothetische situatie dat na afloop van de looptijd van de tijdelijke vergunning schending van artikel 8 vanPro het EVRM zou dreigen te ontstaan. De minister heeft zich in dit kader in het besluit van 24 juli 2023 niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in het geval van betrokkene, gelet op de inwilliging van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel onderzoek, verblijfsbeëindiging of een verplichting om Nederland te verlaten niet aan de orde is. Betrokkene heeft een verblijfsvergunning die hem in staat stelt zijn privéleven in Nederland uit te oefenen. De minister heeft daarmee deugdelijk gemotiveerd waarom zij in het geval van betrokkene geen afweging heeft gemaakt om gebruik te maken van haar bevoegdheid neergelegd in artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb 2000.
3.4. De grief slaagt.
Conclusie
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die nog bespreking behoeven, is het beroep van betrokkene tegen het besluit van 24 juli 2023 alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 mei 2024 in zaak nr. NL23.23848;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.