ECLI:NL:RVS:2026:583

Raad van State

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
BRS.25.001144
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens twijfel aan documentenonderzoek

Appellant, een Egyptische nationaliteit, vroeg een verblijfsvergunning asiel aan die door de minister werd afgewezen op basis van twijfel aan de geloofwaardigheid van zijn asielverhaal. De minister baseerde zich op een onderzoek van Bureau Documenten dat concludeerde dat de ingebrachte documenten waarschijnlijk niet bevoegd waren opgemaakt vanwege sporen van gelijktijdige opmaak en afgifte.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat appellant concrete aanknopingspunten voor twijfel had aangevoerd over de zorgvuldigheid van het onderzoek van Bureau Documenten. De minister had onvoldoende gemotiveerd gereageerd op deze twijfel, met name door geen nadere navraag te doen over de mogelijkheid dat de documenten gelijktijdig uit een register waren gehaald.

De Afdeling vernietigde daarom het besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat nader onderzoek naar de authenticiteit van de documenten noodzakelijk is voordat een inhoudelijk oordeel kan worden gegeven over de vrees bij terugkeer. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd vanwege onvoldoende onderzoek naar de authenticiteit van de documenten.

Uitspraak

BRS.25.001144
Datum uitspraak: 5 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2025 in zaak nr. NL24.39323 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 september 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 8 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F.J.E. Hogewind, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1.        Appellant heeft de Egyptische nationaliteit. De minister heeft zijn betrokkenheid bij de Freedom and Justice Party geloofwaardig geacht, maar heeft niet geloofwaardig geacht dat hij met de Egyptische autoriteiten problemen zal krijgen.
1.1.        Op 7 december 2023 heeft Bureau Documenten een advies gegeven over vier documenten die appellant heeft ingebracht ter onderbouwing van zijn strafvervolging. Het gaat om een verklaring uit het overzicht van kleine misdrijven van het Egyptische Openbaar Ministerie, een arrestatie- en medebrengingsbevel, een proces-verbaal van de aanwezigheid bij een demonstratie, en een proces-verbaal waarin het strafrechtelijk onderzoek wordt afgesloten. Bureau Documenten heeft vastgesteld dat de verklaring uit het overzicht en de twee processen-verbaal sporen bevatten van gelijktijdige opmaak en afgifte met twee of meer van de andere onderzochte documenten. Bureau Documenten heeft over het arrestatie- en medebrengingsbevel vastgesteld dat de overige drie documenten sporen bevatten van dit document. Over alle documenten heeft Bureau Documenten geconcludeerd dat deze hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Op 19 december 2023 heeft een medewerker van het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal van de IND in een vergewisbrief bevestigd dat de conclusie van de verklaring van het onderzoek inzichtelijk is. De medewerker heeft inzage gehad in de onderliggende stukken en heeft een nadere toelichting gekregen.
1.2.        In het besluit van 18 september 2024 heeft de minister de conclusies van Bureau Documenten laten meewegen in haar standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas. In de beroepsgronden van 20 juni 2025 heeft appellant de conclusies van Bureau Documenten bestreden. Daarop heeft de minister gereageerd in het verweerschrift van 1 juli 2025. De rechtbank heeft op 3 juli 2025 geconstateerd dat de voormelde vergewisbrief niet in het dossier aanwezig was. De minister heeft deze brief op verzoek van de rechtbank alsnog overgelegd.
Weergave van het geschil
2.        De rechtbank heeft overwogen dat de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat appellant gezocht wordt door de Egyptische autoriteiten vanwege deelname aan eerdere verkiezingen in 2000 of 2005, noch vanwege andere politieke activiteiten tot en met 2013. De rechtbank heeft overwogen dat de minister in dat kader terecht heeft tegengeworpen dat uit het onderzoek van Bureau Documenten is gebleken dat de documenten die appellant heeft ingebracht ter onderbouwing van zijn strafvervolging, hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, omdat deze documenten sporen dragen van gelijktijdige opmaak en afgifte. De rechtbank heeft van belang geacht dat de conclusie van Bureau Documenten wordt bevestigd door de ingediende vergewisbrief en dat appellant geen contra-expertise heeft ingediend of anderszins concrete aanknopingspunten voor twijfel heeft aangevoerd die maken dat niet uitgegaan kan worden van het onderzoek door Bureau Documenten. Over de stelling van appellant dat de documenten zogenoemde ‘kopieën conform origineel’ zijn en dat de gelijktijdige opmaak en afgifte daarmee verklaarbaar is, heeft de rechtbank overwogen dat deze stelling niet met argumenten of objectieve bewijsmiddelen is onderbouwd. Volgens de rechtbank heeft appellant daarmee de conclusie van Bureau Documenten niet weerlegd.
3.        In de eerste grief klaagt appellant over dit oordeel van de rechtbank. Appellant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank had moeten onderkennen dat hij wel concrete aanknopingspunten voor twijfel heeft aangevoerd, die maken dat niet zonder meer uitgegaan kan worden van de juistheid van het onderzoek door Bureau Documenten. Hij wijst erop dat hij in beroep heeft aangevoerd dat de ingebrachte documenten ‘kopieën conform origineel’ zijn die tegelijkertijd uit een register zijn gehaald en dat dit laatste steun vindt in het feit dat al deze documenten een stempel dragen van de rechtbank, parket Al-Mansoura, en ook zijn getekend of geparafeerd. Appellant wijst ook op de in beroep overgelegde begeleidende brief van een Egyptische advocaat, waarin staat dat hij de registers van de rechtbanken heeft geraadpleegd. Dat deze documenten sporen dragen van gelijktijdige opmaak en afgifte is dan ook niet vreemd, volgens appellant. Appellant wijst er ook op dat hij de rechtbank heeft verzocht om de minister te vragen nogmaals onderzoek te laten doen naar de documenten, maar dan met de onderzoeksvraag of de ingebrachte documenten daadwerkelijk ‘kopieën conform origineel’ zijn en of Bureau Documenten daarover een oordeel zou kunnen geven.
Bespreking van de eerste grief
3.1.        Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1764, is een advies van Bureau Documenten een deskundigenadvies aan de minister ten behoeve van de uitvoering van haar bevoegdheden. De minister mag in beginsel uitgaan van de juistheid van dit advies, maar moet wel nagaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is, en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Een vreemdeling kan deze onderwerpen van een deskundigenadvies betwisten door middel van een contra-expertise, dan wel door concrete aanknopingspunten voor inhoudelijke twijfel aan te voeren. In dat geval mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de opsteller van het advies een reactie op wat over het advies is aangevoerd.
3.2.        Anders dan de rechtbank heeft overwogen, ziet de Afdeling in wat appellant heeft aangevoerd voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel over de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de conclusies van Bureau Documenten. In het onderzoek van Bureau Documenten staat bij in ieder geval drie van de vier documenten dat deze hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven met daarbij als enige reden dat ze sporen bevatten van gelijktijdige opmaak en afgifte met de andere documenten. Appellant heeft zijn stelling over de wijze waarop de documenten zijn aangevraagd en opgemaakt niet volledig onderbouwd met de brief van de Egyptische advocaat, omdat daar alleen in staat dat de advocaat de registers van de rechtbanken heeft geraadpleegd en niet dat dit gelijktijdig is gebeurd. Dit neemt echter niet weg dat de stelling wel een concreet aanknopingspunt voor twijfel is aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de conclusies van Bureau Documenten. Immers, ook documenten die op de juiste wijze gelijktijdig uit een register zijn gehaald en zijn verstrekt door de daartoe bevoegde autoriteiten, kunnen bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Omdat de sporen van gelijktijdige opmaak en afgifte nu als enige reden worden gegeven bij drie van de vier documenten, sluit de motivering in het onderzoek van Bureau Documenten niet zonder meer aan op de conclusie over de opmaak en afgifte, waardoor er twijfel bestaat over de vraag of het onderzoek van Bureau Documenten concludent is.
3.3.        In dit geval geldt dus dat de minister niet zonder nadere motivering op het advies af mocht gaan. De Afdeling overweegt dat de minister met de vergewisbrief of haar toelichting in het verweerschrift niet deugdelijk heeft gereageerd op het aanknopingspunt voor twijfel. De vergewisbrief is namelijk, net als het onderzoek van Bureau Documenten, opgemaakt in december 2023. Daarmee heeft de minister niet gereageerd op het daarna aangevoerde concrete aanknopingspunt voor twijfel. Uit de vergewisbrief kan niet worden opgemaakt dat navraag is gedaan naar de mogelijkheid dat de stukken gelijktijdig uit een register zijn gehaald. In het briefverweer wijst de minister in reactie op het concrete aanknopingspunt voor twijfel op zichzelf bezien terecht op het feit dat de bevindingen van Bureau Documenten afhankelijk zijn van verschillende factoren, waaronder de echtheidskenmerken, de plaats en periode van afgifte en de lokale wetgeving en lokaal beleid. Dat de mogelijkheid bestaat dat de conclusie over de opmaak en afgifte ook voor deze documenten standhoudt, omdat deze bijvoorbeeld niet op de juiste wijze uit een register zijn gehaald, betekent echter niet dat dit in dit geval ook zo is. Dat er een andere reden zou bestaan dan de sporen van gelijktijdige opmaak en afgifte, volgt in ieder geval voor drie documenten niet logischerwijs als reden uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten of uit de toelichting daarop in de vergewisbrief. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, moest de minister in dit geval navraag doen bij Bureau Documenten over het door appellant aanvoerde concrete aanknopingspunt voor twijfel over het onderzoek van Bureau Documenten.
3.4.        De eerste grief slaagt.
Conclusie
4.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder in het hogerberoepschrift over de vrees bij terugkeer naar Egypte heeft aangevoerd te bespreken. Het is voor de Afdeling namelijk niet mogelijk om een gedegen oordeel hierover te geven voordat er nader onderzoek is gedaan naar de juistheid van het onderzoek van Bureau Documenten. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 18 september 2024. De minister moet de proceskosten vergoeden.
5.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2025 in zaak nr. NL24.39323;
III.        verklaart het beroep gegrond;
IV.        vernietigt het besluit van 18 september 2024, V-291.801.9201;
V.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.269,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.C.S. Heinen, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Heinen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2026
984