ECLI:NL:RVS:2026:624

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
202405350/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.F. de Groot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:69a AwbArt. 3.30 WroArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning en bestemmingsplan voor supermarkt en woningen in Heemskerk

Motorhuis B.V. heeft beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning die het mogelijk maken een Aldi-supermarkt te bouwen op de Rijksstraatweg 30 in Heemskerk, waar zij momenteel een showroom en werkplaats exploiteert. Het plan voorziet tevens in de bouw van maximaal 32 woningen op de voormalige locatie van Aldi aan de Gerrit van Assendelftstraat 32. Motorhuis B.V. vreest dat zij haar bedrijfsactiviteiten niet kan voortzetten door de komst van de supermarkt.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat Motorhuis B.V. als huurder belanghebbende is, omdat het plan ertoe kan leiden dat zij haar bedrijf niet langer op dezelfde wijze kan exploiteren. Ook heeft zij procesbelang bij de procedure. De Afdeling toetst het bestemmingsplan aan het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waaronder de Omgevingsverordening NH2020.

De Afdeling verwerpt de beroepsgronden van Motorhuis B.V. over strijd met de Omgevingsverordening NH2020, de Regionale Detailhandelsvisie IJmond en de Omgevingsvisie Heemskerk 2040. Het plan maakt deel uit van een bestaand winkelgebied en voldoet aan de voorwaarden voor detailhandelsuitbreiding. De belangenafweging is zorgvuldig gemaakt en houdt rekening met de belangen van Motorhuis B.V. De omgevingsvergunning is eveneens rechtmatig verleend.

De Afdeling verklaart het beroep ongegrond en wijst de vordering af. De raad en het college hoeven geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van Motorhuis B.V. tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202405350/1/R1.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Motorhuis B.V., gevestigd in Leiden,
appellante,
en
1.       de raad van de gemeente Heemskerk,
2.       het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk,
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Aldi" vastgesteld.
Bij besluit van 14 juni 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk en het maken van een uitweg aan de Rijksstraatweg 30.
Deze besluiten zijn op grond van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.
Tegen dit besluit heeft Motorhuis B.V. beroep ingesteld.
De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.
Motorhuis B.V. heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 september 2025, waar Motorhuis B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. T. van Halsema, advocaat in Rotterdam, en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Janssen en mr. D.R. Pinxter, beiden advocaat in Amsterdam, en M.S. de Jonge, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Aldi Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde B], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 27 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wro, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
2.       Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 15 november 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
3.       Het plan maakt op het perceel Rijksstraatweg 30 in Heemskerk een supermarkt mogelijk ten behoeve van de verplaatsing van de Aldi aan de Gerrit van Assendelftstraat 32 in Heemskerk naar dit perceel. Op de gronden aan de Rijksstraatweg 30 is momenteel Motorhuis B.V. gevestigd. Het voornemen van de grondeigenaar is om de bebouwing te slopen en hier een moderne Aldi supermarkt te realiseren. Op de locatie Gerrit van Assendelftstraat 32 maakt het plan verder maximaal 32 woningen mogelijk.
4.       Motorhuis B.V. is huurder van de bedrijfsruimte gelegen aan de Rijksstraatweg 30. Zij exploiteert daar een showroom en werkplaats voor personenauto’s. Motorhuis B.V. kan zich niet verenigen met het plan voor zover dit voorziet in een supermarkt en vreest ervoor dat zij haar bedrijfsactiviteiten als gevolg daarvan niet meer kan voortzetten.
Ingetrokken beroepsgronden
5.       Motorhuis B.V. heeft haar beroepsgronden dat zij gelet op de planregeling ten onrechte is wegbestemd, dat in de onderzoeken en de onderbouwing die ten grondslag liggen aan het plan ten onrechte geen rekening is gehouden met de andere functies die binnen de bestemming "Gemengd" mogelijk zijn gemaakt, dat het plan ten onrechte aan de Omgevingsverordening NH2020 is getoetst, dat in de omgevingsvergunning ten onrechte geen voorschriften zijn opgenomen met betrekking tot werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor beschermde diersoorten, en dat de omgevingsvergunning gelet op artikel 2:12, vierde lid, van de Algemene plaatselijke verordening (APV) Heemskerk 2023-I niet kan worden verleend voor het aanleggen van een in- en uitrit, op de zitting ingetrokken.
Belanghebbendheid en procesbelang
6.       De raad en het college stellen dat Motorhuis B.V. geen belanghebbende is bij de bestreden besluiten. Volgens hen is zij slechts huurder van de bedrijfsruimte binnen het plangebied. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6523, wijzen de raad en het college erop dat een huurder slechts als belanghebbende kan worden aangemerkt in het geval het plan ertoe kan leiden dat hij het gehuurde onroerend goed niet langer op dezelfde wijze kan gebruiken. Die situatie doet zich hier volgens hen echter niet voor, want de bestreden besluiten belemmeren Motorhuis B.V. niet om haar bedrijfsactiviteiten ter plaatse voort te zetten.
Verder stellen de raad en het college dat Motorhuis B.V. geen procesbelang heeft. Volgens hen verzet Motorhuis B.V. zich tegen de bestreden besluiten omdat zij haar bedrijfsactiviteiten ter plaatse niet wil beëindigen, aangezien zij stelt dat deze erop gericht zijn om op deze locatie een supermarkt te realiseren en dit tot gevolg zal hebben dat zij haar exploitatie moet staken. De bestreden besluiten belemmeren haar echter niet om haar bedrijfsactiviteiten ter plaatse voort te zetten, aldus de raad en het college.
6.1.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van Pro de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
6.2.    Motorhuis B.V. exploiteert haar bedrijf in het huidige bedrijfsgebouw binnen het plangebied. Volgens de plantoelichting is het voornemen om het bedrijfsgebouw te slopen en hier een moderne Aldi supermarkt te realiseren. Gelet hierop kunnen de bestreden besluiten ertoe leiden dat zij haar bedrijf niet langer op dezelfde wijze kan exploiteren. Motorhuis B.V. heeft in dit geval als huurder van dat bedrijfsgebouw een van de eigenaar van het pand te onderscheiden belang en wordt rechtstreeks in haar belangen geraakt door de bestreden besluiten. Gelet hierop is Motorhuis B.V. belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Dit is ook in lijn met de uitspraak van 5 september 2012 waar de raad en het college naar verwijzen, zodat verwijzing naar die uitspraak niet leidt tot een andere conclusie. De Afdeling wijst ter vergelijking ook naar haar uitspraak van 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9481.
6.3.    Wat betreft de stelling van de raad en het college over het procesbelang, overweegt de Afdeling als volgt.
Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de appellant voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft de appellant die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
6.4.    Op de locatie waar Motorhuis B.V. haar bedrijf exploiteert voorziet het plan, anders dan het vorige plan, in onder meer een supermarkt. Een eventuele vernietiging van het bestemmingsplan op dit punt kan bijdragen aan het door Motorhuis B.V. beoogde doel van het voortzetten van haar bedrijfsactiviteiten ter plaatse. De enkele omstandigheid dat de verhuurder het pand ook aan een ander dan Motorhuis B.V. kan verhuren, zodat de bedrijfsactiviteiten van Motorhuis B.V. ook om die reden beëindigd kunnen worden, maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat Motorhuis B.V. positief is bestemd, wat niet meer tussen partijen in geschil is zoals op de zitting bleek, maakt dit evenmin anders. De Afdeling is dan ook van oordeel dat Motorhuis B.V. procesbelang heeft bij een beoordeling van haar beroep.
Toetsingskader
7.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Omgevingsverordening
8.       Motorhuis B.V. betoogt dat het plan in strijd is met de Omgevingsverordening NH2022. Hiertoe voert zij aan dat de raad de artikelen 6.21, eerste lid, en 6.22 van de Omgevingsverordening NH2022 ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. Motorhuis B.V. wijst erop dat de locatie niet ligt in een bestaand winkelgebied als bedoeld in de Omgevingsverordening NH2022. Volgens haar kan perifere detailhandel niet worden gezien als een vorm van detailhandel die wordt gerealiseerd in een winkelgebied en betreft het juist een vorm van detailhandel die moeilijk inpasbaar is in bestaande winkelgebieden vanwege de volumineuze aard en bevoorrading. Verder voert Motorhuis B.V. aan dat in het geval wel sprake is van een bestaand winkelgebied, het plan in strijd is met de voorwaarden van artikel 6.21, tweede lid, van de Omgevingsverordening NH2022 omdat sprake is van uitbreiding van detailhandel van meer dan 1.500 m². In dat verband wijst Motorhuis B.V. erop dat reguliere detailhandel als bedoeld in dat artikel ter plaatse niet al was toegestaan. Daarnaast is de locatie volgens Motorhuis B.V. juist aan te merken als een bedrijventerrein, aangezien dit ligt op het bedrijventerrein De Waterwegen. Bovendien strookt het standpunt van de raad dat sprake is van een bestaand winkelgebied en geen bedrijventerrein ook niet met het eerder ingenomen standpunt van het college van burgemeester en wethouders in de raadsmemo van 28 mei 2021, waarin uitdrukkelijk is aangegeven dat de locatie ligt op een bedrijventerrein waar reguliere detailhandel - dat volgens het college enkel inpasbaar is in bestaande winkelgebieden - ongewenst is. Dat de raad het gebied aanmerkt als een "gemengd gebied" maakt het voorgaande ook niet anders. De Omgevingsverordening NH2022 gaat immers niet uit van het mogelijk maken van detailhandel binnen een "gemengd gebied". Nu de locatie niet ligt in een bestaand winkelgebied en wel op een bedrijventerrein, had de raad tot de conclusie moeten komen dat het plan in strijd is met de artikelen 6.21 en 6.22 van de Omgevingsverordening NH2022.
8.1.    De Omgevingsverordening NH2022 geldt vanaf 1 januari 2024. Zoals de Afdeling onder 1 heeft overwogen, blijft op deze procedure het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. Dit betekent dat niet de Omgevingsverordening NH2022, maar de Omgevingsverordening NH2020 van toepassing is op het plan. Nu de artikelen waar in deze zaak een beroep op wordt gedaan ongewijzigd zijn gebleven, zal de Afdeling deze beroepsgrond beoordelen aan de hand van de gelijkluidende artikelen 6.13a en 6.13b van de Omgevingsverordening NH2020 (hierna: Omgevingsverordening).
8.2.    Over het betoog van Motorhuis B.V. met betrekking tot artikel 6.13a, eerste lid, van de Omgevingsverordening overweegt de Afdeling als volgt.
8.3.    Artikel 6.13a, eerste lid, van de Omgevingsverordening luidt:
"1. Een ruimtelijk plan maakt geen nieuwe detailhandelsbedrijven buiten bestaande winkelgebieden mogelijk, tenzij:
a. wordt gemotiveerd dat dit niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand van bestaande winkelgebieden; en
b. bij nieuwe detailhandelsbedrijven van meer dan 500 m2 winkelvloeroppervlak de regionale adviescommissie detailhandel hierover advies heeft uitgebracht."
8.4.    Artikel 6.13a van de Omgevingsverordening regelt volgens de artikelsgewijze toelichting dat bij nieuwe detailhandelsvestiging of uitbreiding van detailhandel moet worden afgewogen of de ontwikkeling leidt tot ruimtelijk relevante leegstand in bestaande winkelgebieden. De geografische grenzen van de bestaande winkelgebieden zijn niet vastgelegd in een werkingsgebied. Het gaat om de gebieden waar in overwegende mate sprake is van detailhandel en publieksgerichte dienstverlening (zie ook de begripsbepalingen). Het is aan het gemeentebestuur om de grenzen van de winkelgebieden in de gemeente te concretiseren in de betreffende casuïstiek.
Volgens bijlage 1, onder 113, behorende bij de Omgevingsverordening wordt onder een "winkelgebied" verstaan: "een gebied dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor meerdere vestigingen van detailhandel, eventueel in samenhang met andere consumentgerichte functies zoals horeca, ambachten en baliefuncties".
Op grond van het bestemmingsplan "Houtwegen, Waterwegen en Westertuinen" is de gehele strook aan de oostzijde van de Rijksstraatweg, waar het plangebied ook deel van uitmaakt, bestemd als "Gemengd". Zoals de raad heeft toegelicht en uit artikel 8.1 van de planregels van dat plan blijkt, zijn op gronden met deze bestemming onder andere perifere detailhandel, maar ook grootschalige detailhandel rechtstreeks toegestaan. Onder grootschalige detailhandel wordt volgens artikel 1.45 van de planregels van dat plan verstaan een vestiging van detailhandel, met een minimum winkelvloeroppervlak (WVO) van 1.500 m² per vestiging, waarvan uitgezonderd de branches food en warenhuizen en perifere detailhandel. Verder heeft de raad toegelicht, en dit is op de zitting ook aan de hand van kaartmateriaal met partijen besproken, dat zich in de omgeving van het plangebied verschillende detailhandelsbedrijven bevinden, zoals een aantal autobedrijven, waaronder Motorhuis B.V., een tuincentrum, een Albert Heijn-supermarkt en een Gall & Gall-winkel.
Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat in dit geval sprake is van een bestaand winkelgebied. Het standpunt van Motorhuis B.V. dat perifere detailhandel niet gezien kan worden als een vorm van detailhandel die wordt gerealiseerd in een winkelgebied, leidt niet tot een ander oordeel, nu de definitie van winkelgebied geen onderscheid maakt in diverse vormen van detailhandel. De verwijzing van Motorhuis B.V. naar de raadsmemo leidt evenmin tot een ander oordeel. De raadsmemo, die overigens dateert uit 2021, is een stuk van het college waaraan de raad niet gebonden is. Van strijd met artikel 6.13a, eerste lid, van de Omgevingsverordening is dan ook geen sprake.
Het betoog faalt in zoverre.
8.5.    Wat betreft het betoog van Motorhuis B.V. over artikel 6.13a, tweede lid, van de Omgevingsverordening overweegt de Afdeling als volgt.
8.6.    Artikel 6.13a, tweede lid, van de Omgevingsverordening luidt:
"2. Een ruimtelijk plan kan alleen uitbreiding van detailhandel van meer dan 1.500 m2 winkelvloeroppervlak binnen of aansluitend op bestaande winkelgebieden mogelijk maken, als:
a. wordt gemotiveerd dat dit niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand in bestaande winkelgebieden; en
b. de regionale adviescommissie detailhandel hierover advies heeft uitgebracht.
[…]"
Artikel 3.1 van de planregels luidt:
"De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
[…]
d. ter plaatse van de aanduiding ‘supermarkt', een supermarkt;
[…]"
Artikel 3.3.1 van de planregels luidt:
"Het bruto vloeroppervlak van het gebruik zoals benoemd in 3.1 sub d bedraagt ten hoogste 1.868 m2."
8.7.    Zoals de Afdeling al onder 8.4 heeft overwogen, maakte het vorige plan ter plaatse al detailhandel mogelijk. Dat het vorige plan reguliere detailhandel in de vorm van een supermarkt op deze locatie niet mogelijk maakte zoals Motorhuis B.V. stelt, maakt dit niet anders, nu in artikel 6.13a van de Omgevingsverordening geen onderscheid wordt gemaakt in diverse vormen van detailhandel. Dit wordt eveneens bevestigd in de definitieomschrijving van "winkelgebied" in de Omgevingsverordening.
Onder het vorige plan bestaat het plangebied volledig uit een bouwvlak voor onder andere perifere detailhandel met een bebouwingspercentage van 75%. Dat komt overeen met een oppervlakte die in elk geval niet groter is dan de huidige vestiging ter grootte van 2.354 m², die immers binnen dat bouwvlak staat. Nu het plan op grond van artikel 3.3.1 van de planregels een supermarkt van 1.868 m² bruto vloeroppervlak mogelijk maakt, en het WVO kleiner is dan dat, maakt het bestemmingsplan in het plangebied in elk geval geen uitbreiding van detailhandel van meer dan 1.500 m² WVO mogelijk. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van strijd met artikel 6.13a, tweede lid, van de Omgevingsverordening.
Het betoog faalt.
8.8.    Wat betreft het betoog over artikel 6.13b, eerste lid, van de Omgevingsverordening, overweegt de Afdeling als volgt.
8.9.    Artikel 6.13b van de Omgevingsverordening luidt:
"1. Een ruimtelijk plan kan alleen nieuwe detailhandel mogelijk maken op bedrijventerreinen of kantoorlocaties, indien sprake is van detailhandel in de vorm van:
a. een afhaalpunt ten behoeve van internethandel;
b. detailhandel die zowel bedrijfseconomisch als ruimtelijk ondergeschikt is aan de toegelaten bedrijfsuitoefening en daarop nauw aansluit;
c. brand- of explosiegevaarlijke detailhandel; of
d. volumineuze detailhandel indien deze in winkelgebieden uit een oogpunt van hinder, veiligheid of verkeersaantrekkende werking niet inpasbaar is.
2. Als het totaal winkelvloeroppervlak van de nieuwe volumineuze detailhandel meer dan 1.500 m2 bedraagt, geldt aanvullend dat:
a. dit aantoonbaar niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand in bestaande winkelgebieden; en
b. de regionale adviescommissie detailhandel hierover advies heeft uitgebracht."
Volgens bijlage 1, onder 9, behorende bij de Omgevingsverordening wordt onder "bedrijventerrein" verstaan: "een terrein van minimaal 1 ha bruto grondoppervlak dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie. Onder de beschrijving vallen daarmee ook (delen van) bedrijventerreinen die gedeeltelijk, maar niet overwegend, bestemd en geschikt zijn voor kantoorgebouwen. Ook vallen daaronder de zeehaventerreinen welke met laad en/of loskade langs diep vaarwater toegankelijk zijn voor grote zeeschepen. De volgende terreinen vallen hier niet onder: terrein voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, terrein voor waterwinning, terrein voor agrarische doeleinden, terrein voor afvalstort."
8.10.  Zoals hiervoor overwogen, hebben de gronden binnen het plangebied en in de omgeving van het terrein de bestemming "Gemengd". De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven, voor zover deze bedrijven voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, kantoren, perifere detailhandel en op bepaalde plaatsen binnen deze bestemming een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg en detailhandel in weggebonden artikelen en grootschalige detailhandel. Nu deze bestemming niet in algemene zin de activiteiten zoals genoemd in de begripsomschrijving van bedrijventerrein als bedoeld in bijlage 1, onder 9, behorende bij de Omgevingsverordening toelaat, die maken dat een terrein als bedrijventerrein in de zin van de Omgevingsverordening moet worden gekwalificeerd, stelt de Afdeling vast dat in dit geval geen sprake is van een dergelijk bedrijventerrein. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit de artikelsgewijze toelichting op de begripsbepalingen in de Omgevingsverordening moet worden afgeleid dat een locatie niet zowel een winkelgebied als een bedrijventerrein in de zin van de Omgevingsverordening kan zijn, omdat de benoemde kenmerken van deze gebieden elkaar uitsluiten. Uit de toelichting op de begripsbepalingen volgt immers dat bedrijventerreinen zijn ontworpen voor vrachtverkeer en vaak veel vrachtverkeer kennen maar minder goed zijn ingericht voor consumentenverkeer, zeker voor lopende of fietsende consumenten. Juist de bestaande winkelgebieden zijn hier wel goed op ingericht. Ook kennen veel bedrijventerreinen milieucontouren waardoor detailhandel niet mogelijk is op dezelfde locatie door bijvoorbeeld geluidshinder of stankcirkels. Zoals hiervoor onder 8.4 al is overwogen, kwalificeert de locatie als een winkelgebied in de zin van de Omgevingsverordening.
Het betoog van Motorhuis B.V. dat de locatie ligt op wat in de volksmond bedrijventerrein De Waterwegen is gaan heten en dat reeds daarom sprake is van een bedrijventerrein als bedoeld in de Omgevingsverordening, slaagt niet. Voor de kwalificatie van een terrein als bedrijventerrein als bedoeld in bijlage 1, onder 9, behorende bij de Omgevingsverordening is alleen van belang of aan de vereisten in de begripsbepaling is voldaan. Gelet op het vorenstaande is artikel 6.13b van de Omgevingsverordening hier dan ook niet van toepassing. Van strijd met dit artikel is geen sprake.
Het betoog faalt in zoverre.
Regionale Detailhandelsvisie IJmond
9.       Motorhuis B.V. betoogt dat het plan in strijd is met de Regionale Detailhandelsvisie IJmond (hierna: Detailhandelsvisie). Hiertoe voert zij aan dat de Rijksstraatweg is aangewezen als een zogenoemde PDV-locatie. Het betreft een locatie die primair is gericht op de doelgerichte aankopen op het gebied van in en om het huis. In de Detailhandelsvisie is voor deze locaties opgenomen dat de branchebeperkingen van kracht blijven. Het ruimer maken van het assortiment ("brancheverruiming") is dus uitdrukkelijk niet de bedoeling. Daarnaast is in de Detailhandelsvisie opgenomen dat verspreide bewinkeling moet worden voorkomen en is het toevoegen van extra meters dan wel het toestaan van uitbreidingen niet het uitgangspunt. Expliciet is bepaald dat ter hoogte van de Rijksstraatweg geen uitbreidingen worden toegestaan. Ook heeft de raad volgens Motorhuis B.V. ten onrechte geen advies ingewonnen van de regionale adviescommissie. In dat verband wijst Motorhuis B.V. erop dat in het plan enkel is bepaald dat het bruto vloeroppervlak niet groter mag zijn dan 1.868 m² en niet is geborgd dat het WVO niet meer dan 1.500 m² bedraagt.
9.1.    De Afdeling overweegt dat de Detailhandelsvisie regionaal beleid betreft. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan regionaal beleid. Wel moet de raad daarmee rekening houden, wat betekent dat hij dit beleid in de belangenafweging moet betrekken.
In paragraaf 3.2.3 van de plantoelichting wordt ingegaan op de Detailhandelsvisie. Daarin staat dat de beoogde verplaatsing van de supermarkt voldoet aan meerdere criteria die zijn opgenomen in de Detailhandelsvisie om de toekomstwaarde (kansrijkheid) van de winkelgebieden te bepalen. Ten aanzien van de criteria "aanbod" en "verzorgingsgebied" kan worden gesteld dat een discount supermarkt niet past in een omgeving die kan worden gekenmerkt als woongebied. Met dit bestemmingsplan wordt het dan ook mogelijk gemaakt om de discount supermarkt te verplaatsen vanuit het centrum naar de Rijksstraatweg, welke overeenkomstig de Detailhandelsvisie is gedefinieerd als kansrijk winkelgebied. De locatie aan de Rijksstraatweg in Heemskerk is een zogenaamde PDV-locatie. De raad heeft toegelicht dat dit niet aan de onderhavige ontwikkeling in de weg staat, omdat deze aansluit bij de ambities om intensief bezochte detailhandel op locaties te vestigen die passend zijn bij haar omgeving. Gezien de al aanwezige XL-supermarkt nabij de projectlocatie zorgt de komst van de Aldi-supermarkt voor versterking van het gebied rondom de Rijksstraatweg. De Detailhandelsvisie verbiedt in dit verband niet dat op een PDV-locatie ook andere vormen van detailhandel worden ontwikkeld. De visie maakt bijvoorbeeld ook al melding van de aanwezige XL-supermarkt. Verder heeft de raad toegelicht dat, zoals hiervoor onder 8.7 al overwogen, het bestemmingsplan in het plangebied geen uitbreiding van detailhandel van meer dan 1.500 m² WVO mogelijk maakt.
Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen rekening is gehouden met de Detailhandelsvisie.
Het betoog slaagt niet.
Omgevingsvisie Heemskerk 2040
10.     Motorhuis B.V. betoogt dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie Heemskerk 2040 (hierna: Omgevingsvisie). Hiertoe voert zij aan dat in de Omgevingsvisie is opgenomen dat de gemeente op een bedrijventerrein vooral kansen ziet voor logistieke en industriële ruimte en zakelijke dienstverlening. Het is de bedoeling dat op bedrijventerreinen bedrijven zijn gevestigd die daadwerkelijk op een bedrijventerrein horen, zoals autobedrijven. Overige bedrijvigheid die mengbaar is met woonfuncties, dienen dat ook in het woongebied of het centrum te worden gevestigd. Dit is ook bevestigd door het college in de raadsmemo van 28 mei 2021. Een supermarkt is juist een bedrijf dat zich bij uitstek leent om te mengen met een woonfunctie. Het ter plaatse voorzien in een supermarkt strookt niet met de Omgevingsvisie, aldus Motorhuis B.V.
10.1.  In de Omgevingsvisie staat dat de gemeente op de bedrijventerreinen vooral kansen ziet voor logistieke en industriële ruimte en zakelijke dienstverlening. Op termijn zijn er op de bedrijventerreinen bedrijven  gevestigd die echt op een bedrijventerrein horen. Daarbij is een zekere  menging met maatschappelijke voorzieningen en ondergeschikte detailhandel  mogelijk. Overige bedrijvigheid die mengbaar is met woonfuncties, kan gedeeltelijk in het woongebied of centrum worden gehuisvest, zo staat in de Omgevingsvisie. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit het vorenstaande evenwel niet dat een supermarkt op deze locatie niet mogelijk is. Voor het oordeel dat in dit geval sprake is van strijd met de Omgevingsvisie ziet de Afdeling geen aanleiding. Verwijzing van Motorhuis B.V. naar de raadsmemo leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling verwijst naar wat zij daarover heeft overwogen onder 8.4 van deze uitspraak.
Het betoog slaagt niet.
Belangenafweging
11.     Motorhuis B.V. betoogt dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met alle betrokken belangen bij de vaststelling van het plan. Hiertoe voert zij aan dat met het plan een supermarkt kan worden gerealiseerd, wat tot gevolg heeft dat de exploitatie van Motorhuis B.V. ter plaatse moet worden beëindigd, waardoor zij feitelijk is wegbestemd. Het feit dat door het beëindigen van de exploitatie van Motorhuis B.V. medewerkers en daarmee ook inwoners hun baan verliezen, inwoners zullen moeten uitwijken naar een ander autobedrijf, en de attractiviteit van het bedrijventerrein achteruitgaat, wordt ten onrechte niet meegenomen in de belangenafweging. Evenmin is meegewogen dat Motorhuis B.V. zich niet zonder meer op een alternatieve locatie kan vestigen. Integendeel, er is enkel aangegeven dat het aan Motorhuis B.V. zelf is om een alternatieve locatie te vinden, wat haar zwaar valt, aldus Motorhuis B.V.
11.1.  Motorhuis B.V. komt op voor haar bedrijfsbelangen. Meer specifiek is haar belang gelegen in het ongestoord voortzetten van haar bedrijfsactiviteiten. De Afdeling heeft er begrip voor dat het Motorhuis B.V. zwaar valt dat zij mogelijk een alternatieve locatie moet vinden als de planologisch voorziene ontwikkeling van een supermarkt ter plaatse doorgang vindt. Een eventuele beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van Motorhuis B.V. op het perceel zal echter worden ingegeven door de beëindiging van de huurovereenkomst van Motorhuis B.V. met de eigenaar van het perceel, en is daarmee geen direct gevolg van het bestemmingsplan waarin de bedrijfsactiviteiten van Motorhuis B.V. bovendien als zodanig zijn bestemd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de belangen van Motorhuis B.V. onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken.
Het betoog faalt in zoverre.
11.2.  Voor zover Motorhuis B.V. aanvoert dat geen rekening is gehouden met belangen van anderen, overweegt de Afdeling dat in artikel 8:69a van de Awb besloten ligt dat degene die vernietiging van een besluit beoogt zich in beginsel niet met succes kan beroepen op belangen van anderen. Het betoog van Motorhuis B.V. dat geen rekening is gehouden met de belangen van anderen kan daarom, gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Afdeling zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk bespreken.
Overig
12.     Voor zover de beroepsgronden van Motorhuis B.V. niet slagen, laat de Afdeling in het midden of het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de vernietiging van het bestreden besluit.
Omgevingsvergunning
13.     Motorhuis B.V. heeft, anders dan de ingetrokken beroepsgronden zoals weergegeven onder 5, geen andere inhoudelijke beroepsgronden aangevoerd tegen de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk en het maken van een uitweg aan de Rijksstraatweg 30. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding het bestreden besluit in zoverre onrechtmatig te achten.
Conclusie
14.     Het beroep is ongegrond.
15.     De raad en het college hoeven geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. van Helvoort, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Helvoort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
877