ECLI:NL:RVS:2026:643

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
202205612/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.B. Blomberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 3.9 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetBouwbesluit 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omgevingsvergunning voor legalisatie overstek en luifel ondanks bezwaren

Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad verleende op 28 mei 2021 een omgevingsvergunning voor de legalisatie van een overstek en doorlopende luifel op een woning in Zaandam. Appellanten maakten bezwaar tegen deze vergunning en stelden onder meer dat de aanvraag te laat was ingediend en dat de luifel en overstek boven hun perceel waren gesitueerd zonder hun toestemming.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarna zij hoger beroep instelden bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de aanvraag om de vergunning vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was ingediend, waardoor de oude Wabo-regelgeving van toepassing bleef. De Afdeling verwierp de bezwaren van appellanten, waaronder de stelling dat er sprake was van een te late aanvraag, dat er meerdere bouwaanvragen waren ingediend, en dat procedurele fouten waren gemaakt.

Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de strijd met het Bouwbesluit 2012 werden verworpen. De Afdeling benadrukte dat privaatrechtelijke bezwaren, zoals het overschrijden van perceelsgrenzen, niet relevant zijn voor de beoordeling van de vergunningaanvraag. De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning wordt bevestigd.

Uitspraak

202205612/1/R1.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], beiden wonend in Zaandam, gemeente Zaanstad,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 15 augustus 2022 in zaak nr. 21/6236 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.
Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 2021 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor de legalisatie van een overstek en doorlopende luifel op het adres [locatie A] in Zaandam.
Bij besluit van 5 oktober 2021 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 augustus 2022 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college en [belanghebbende] hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellanten] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 november 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Kliphuis, advocaat in Hoofddorp, en mr. M.M. Jobst, zijn verschenen. Verder is op de zitting [belanghebbende] als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 22 april 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Naar aanleiding van een verzoek om handhaving van [appellanten], dat aan de orde is in de uitspraak van heden in zaak nr. 202306246/1 (ECLI:NL:RVS:2026:526), zijn overtredingen op het perceel geconstateerd die meer omvatten dan waar het handhavingsverzoek op ziet, waaronder de in deze uitspraak aan de orde zijnde overstek aan de voorzijde van de woning [locatie A] en de doorlopende luifel tussen [locatie A] en [locatie B].
3.       [belanghebbende] heeft op 22 april 2021 een aanvraag gedaan om de overstek en de doorlopende luifel te legaliseren. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen weigeringsgronden zijn en heeft een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo verleend voor de overstek en de doorlopende luifel.
Gronden
4.       [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag te laat is ingediend, gelet op de termijn die in het voornemen tot handhaving van 1 maart 2021 was gegeven. Zij betogen verder dat het voornemen tot handhavend optreden van 1 maart 2021 geen ruimte bood om de omgevingsvergunning te verlenen.
4.1.    De kwestie die in deze zaak voorligt, betreft de besluitvorming van het college naar aanleiding van de aanvraag om omgevingsvergunning van 22 april 2021. Het voornemen tot handhavend optreden, dat aan de orde is in de uitspraak van heden in zaak nr. 202306246/1, staat los van de vraag of er een aanvraag ter legalisering kon worden ingediend en of de omgevingsvergunning kon worden verleend, zoals de rechtbank ook terecht onder 3 van de aangevallen uitspraak heeft overwogen. De rechtbank heeft onder 5.2 van de aangevallen uitspraak verder terecht overwogen dat geen fatale termijn geldt voor het indienen van een aanvraag voor een legaliserende omgevingsvergunning. Het college was alleen al daarom niet gehouden de aanvraag buiten behandeling te stellen.
Het betoog slaagt niet.
5.       [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat er twee bouwaanvragen zijn ingediend en dat de rechtbank ten onrechte niet heeft getoetst of het college de juiste procedure heeft gevolgd.
5.1.    Zoals hiervoor is overwogen onder 4.1 gaat deze zaak over de besluitvorming over de aanvraag van 22 april 2021 ter legalisering van een overstek en doorlopende luifel. Van een tweede aanvraag of eerdere aanvraag met betrekking tot hetzelfde bouwplan, nog daargelaten welke gevolgen daaraan verbonden zouden moeten worden, is niet gebleken.
Het betoog slaagt niet.
6.       [appellanten] betogen dat de rechtbank verschillende procedurele fouten heeft gemaakt. Volgens hen is het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank onvolledig, beschikte de gemachtigde van het college niet over alle stukken, hebben zij onvoldoende gelegenheid gekregen om te pleiten en heeft de rechter geen kennis genomen van een speciaal voor deze zaak gemaakte youtube-video.
6.1.    Niet is gebleken dat [appellanten] bij de rechtbank onvoldoende gelegenheid hebben gekregen om hun standpunten naar voren te brengen. Bovendien hebben zij in hoger beroep hun standpunten opnieuw kunnen toelichten. Het is verder niet gebleken dat het college niet over alle stukken beschikte, nog daargelaten dat niet valt in te zien dat [appellanten] daardoor in hun belang geraakt zouden zijn. Het door hen aangevoerde kan dan ook niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
7.       [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de berging en de overkapping ook onderdeel van de omgevingsvergunning zijn.
7.1.    De aanvraag ziet uitsluitend op de doorlopende luifel en de overstek. De op deze aanvraag verleende omgevingsvergunning ziet dan ook alleen op deze onderdelen van de woning [locatie A]. De rechtbank is, gelet daarop, terecht niet ingegaan op wat [appellanten] hebben aangevoerd over de berging en de overkapping van de steeg.
Het betoog slaagt niet.
8.       [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verworpen.
8.1.    [appellanten] hebben bij de rechtbank aangevoerd dat in de zaak Watak, zie de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1021), wel is gehandhaafd tegen een vergelijkbare luifel als hier aan de orde. Anders dan in de zaak Watak gaat het in deze procedure echter niet over een handhavingskwestie. [appellanten] hebben niet onderbouwd waarom sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel in het kader van de hier aan de orde zijnde verlening van een omgevingsvergunning.
Het betoog slaagt niet.
9.       [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat er strijd is met het Bouwbesluit 2012.
9.1.    De rechtbank is gemotiveerd ingegaan op de beroepsgrond van [appellanten] dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.3 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling ziet in wat [appellanten] in hoger beroep hebben aangevoerd geen aanleiding daar anders over te oordelen. Zij voegt daaraan nog toe dat voor zover [appellanten] op de Nota Woonbebouwing wijzen deze nota, zoals door het college is toegelicht, slechts relevant is indien het gaat om een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Daarvan is hier geen sprake.
Het betoog slaagt niet.
10.     [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de luifel en overstek boven hun perceel is gesitueerd en zij geen toestemming hebben gegeven voor het verankeren van luifel en overstek in hun muur.
10.1.  Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is het toetsingskader voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen van een bouwwerk’. Dat is een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo houdt in dat het college uitsluitend moet beoordelen of zich één van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet het de gevraagde vergunning verlenen. Als dat wel zo is, dan moet het de gevraagde vergunning weigeren. Het college heeft daarbij dus geen ruimte voor een belangenafweging, waarbij privaatrechtelijke belemmeringen, zoals de door [appellanten] gestelde met betrekking tot de overschrijding van de perceelsgrens en de toestemming voor het verankeren, kunnen worden betrokken. De vraag of de luifel en overstek boven het perceel van [appellanten] is gesitueerd speelt dan ook geen rol bij de beoordeling van de aanvraag. Omdat zich geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoen, moest het college de gevraagde omgevingsvergunning verlenen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
12.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
580