ECLI:NL:RVS:2026:671

Raad van State

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
202307612/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring verblijfsvergunning asiel afgewezen wegens gebrek aan belang

Betrokkene, een Syrische nationaliteit houdende vreemdeling, diende op 14 juli 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde deze aanvraag op 10 oktober 2023 niet-ontvankelijk. De rechtbank Den Haag oordeelde op 6 december 2023 dat betrokkene wel belang had bij de beoordeling van het beroep en vernietigde het besluit.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de vraag of betrokkene nog belang had bij de beoordeling van haar beroep, nu zij met onbekende bestemming was vertrokken en de gemachtigde geen direct contact meer had met betrokkene, maar slechts met haar partner.

De Raad van State overwoog dat volgens vaste rechtspraak het ontbreken van contact tussen gemachtigde en betrokkene impliceert dat betrokkene geen bescherming meer zoekt en dus geen belang heeft bij de beoordeling van het beroep. Omdat de gemachtigde alleen contact had met de partner en niet met betrokkene zelf, en er geen bijzondere omstandigheden waren die dit contact onmogelijk maakten, mocht de rechtbank niet aannemen dat betrokkene belang had.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang bij beoordeling.

Uitspraak

202307612/1/V3.
Datum uitspraak: 5 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 6 december 2023 in zaak nr. NL23.32471 in het geding tussen:
[betrokkene],
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 6 december 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. P.J. van den Hoogen, advocaat in Eindhoven, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Betrokkene heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. De minister heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1.       Betrokkene heeft de Syrische nationaliteit. Griekenland heeft haar op 3 april 2020 internationale bescherming verleend. Op 14 juli 2023 heeft betrokkene in Nederland een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
In deze uitspraak is de vraag aan de orde of de rechtbank terecht heeft overwogen dat betrokkene belang heeft bij een beoordeling van haar beroep.
2.       De minister heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat betrokkene geen belang heeft bij een beoordeling van haar beroep, omdat zij met onbekende bestemming is vertrokken. Zij heeft zelfstandig de opvang verlaten. De Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel heeft haar vermoedelijke adres twee keer gecontroleerd en niemand aangetroffen.
3.       De rechtbank heeft overwogen dat betrokkene belang heeft bij een beoordeling van haar beroep, omdat de gemachtigde van betrokkene telefonisch contact heeft gehad met de partner van betrokkene, die heeft verklaard dat zij met hem verblijft op het adres dat de minister heeft genoemd als vermoedelijk adres. Daarbij is van belang dat uit de verklaringen van betrokkene volgt dat zij vanwege haar partner naar Nederland is gekomen.
4.       De tweede grief van de minister is gericht tegen dit oordeel van de rechtbank. Omdat de gemachtigde van betrokkene geen contact heeft gehad met betrokkene zelf, maar alleen met de partner van betrokkene, had de rechtbank niet mogen aannemen dat betrokkene belang heeft bij een beoordeling van haar beroep.
4.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling leidt zij uit het feit dat een gemachtigde van een vreemdeling die om asiel heeft verzocht, geen contact meer heeft met hem of haar af dat de betrokken vreemdeling niet langer bescherming in Nederland zoekt, zodat hij of zij geen belang meer heeft bij een beoordeling van een beroep of hoger beroep. Zie onder meer de uitspraak van 8 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4282, onder 1.
De Afdeling neemt dus wel belang aan bij de beoordeling van het beroep of het hoger beroep als de gemachtigde verklaart nog contact te hebben met de betrokken vreemdeling. Daarbij moet het wel gaan om het contact tussen de gemachtigde en de betrokken vreemdeling zelf. Daarmee wordt namelijk het eigen belang van de betrokken vreemdeling bij het namens hem of haar ingestelde beroep in de asielprocedure tot uitdrukking gebracht.
4.2.    In beroep heeft de gemachtigde alleen verklaard dat zij telefonisch contact heeft gehad met de partner van betrokkene. Met de in hoger beroep overgelegde stukken is niet aannemelijk gemaakt dat de gemachtigde met betrokkene zelf in beroep telefonisch contact heeft gehad. Van bijzondere omstandigheden die dit contact niet mogelijk maakten, is niet gebleken.      In het licht van de rechtspraak van de Afdeling klaagt de minister dan ook terecht dat de rechtbank op basis van deze stukken niet had mogen aannemen dat betrokkene belang heeft bij een beoordeling van haar beroep. De tweede grief slaagt.
5.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat de minister verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 6 december 2023 in zaak nr. NL23.32471;
III.      verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2026
347