202301707/1/V3.
Datum uitspraak: 13 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 20 februari 2023 in zaak nr. 21/3682 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 12 oktober 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 18 juni 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 februari 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. I. Özkara, advocaat in Arnhem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Betrokkene heeft deze uiteenzetting als een incidenteel hogerberoepschrift aangeduid.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene komt uit Turkije en is sinds 2008 zonder rechtmatig verblijf in Nederland. Zij heeft een aanvraag ingediend om haar een verblijfsvergunning op grond van de Associatieovereenkomst EEG-Turkije voor het verblijfsdoel familie- en gezinsleven bij een Turkse werknemer te verlenen. Referent is haar schoondochter.
2. Betrokkene heeft ter onderbouwing van haar aanvraag meerdere stukken overgelegd, onder meer een juridische kennisgeving van haar Turkse advocaat van 16 augustus 2022. In die kennisgeving staat dat de persoonlijke status van betrokkene is beoordeeld in het kader van de wet op de sociale verzekeringen en algemene zorgverzekering, omdat zij heeft verzocht om informatie over haar recht op ouderdomspensioen. Vermeld wordt dat betrokkene niet is verzekerd op grond van Wet nr. 5510 en nu en in de toekomst niet in aanmerking komt voor ouderdomsverzekeringen, omdat zij niet voldoet of kan voldoen aan de daarvoor in de artikelen 28 en 29 van de Wet gestelde vereisten. Daarnaast staat in de kennisgeving dat betrokkene geen ouderdomspensioen ontvangt.
3. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat betrokkene met de door haar overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat de materiële ondersteuning van haar schoondochter en haar zoon noodzakelijk is om in haar basisbehoeften te kunnen voorzien.
Over de juridische kennisgeving heeft de minister het standpunt ingenomen dat die onvoldoende is, omdat niet is gebleken dat de artikelen 28 en 29 van Wet nr. 5510 de enige grondslag zijn om in Turkije in aanmerking te komen voor financiële ondersteuning. Daarom heeft betrokkene volgens de minister met dat stuk niet aangetoond dat zij bij terugkeer naar Turkije geen aanspraak kan maken op financiële tegemoetkoming voor haar levensonderhoud.
De grief
4. De minister klaagt onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat betrokkene met het overleggen van de juridische verklaring genoegzaam heeft onderbouwd dat zij in Turkije nu en in de toekomst geen recht heeft op een ouderdomspensioen op grond van Wet nr. 5510.
Het toetsingskader
4.1. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat het aan een vreemdeling is om bewijs te leveren dat hij of zij de materiële ondersteuning van referent nodig heeft om in Turkije in zijn of haar basisbehoeften te kunnen voorzien. Als een vreemdeling al geruime tijd in Nederland woont, moet worden uitgegaan van de fictieve situatie dat die vreemdeling in Turkije verblijft. Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL1452, onder 2.2.2. Bespreking van de grief
4.2. De grief faalt. Betrokkene moet als eerste met bewijsmiddelen komen omdat zij de bewijslast heeft. Zij heeft met het overleggen van de juridische kennisgeving voldaan aan die verplichting. Door in het algemeen te overwegen dat niet is gebleken dat in het geval van betrokkene sprake kan zijn van andere mogelijke grondslagen voor het ontvangen van financiële ondersteuning in Turkije, heeft de minister de informatie in de juridische kennisgeving niet deugdelijk weersproken. De minister moet toelichten welke andere mogelijke regelingen voor financiële ondersteuning voor betrokkene in Turkije er volgens haar beschikbaar zouden zijn en wat zij, gelet daarop, van betrokkene verwacht aan over te leggen stukken om te bewijzen dat zij de materiële ondersteuning van referent nodig heeft om in Turkije in haar basisbehoeften te kunnen voorzien.
5. Wat de minister verder aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift voor het overige geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie over het hoger beroep
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Geen incidenteel hoger beroep van betrokkene
7. In de schriftelijke uiteenzetting voert betrokkene geen gronden aan die zich richten tegen de uitspraak van de rechtbank, maar reageert zij uitsluitend op de grief van de minister. Daarom is dit stuk geen incidenteel hogerberoepschrift in de zin van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1239, onder 7.2. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. bepaalt dat van de Minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier.
w.g. Verburg
voorzitter
w.g. Van Bekhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026
959