ECLI:NL:RVS:2010:BL1452
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het ten laste komen van familieleden voor verblijfsrecht EU-burgers
De zaak betreft hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage over de afgifte van verblijfsdocumenten aan familieleden van een EU-burger. De staatssecretaris van Justitie had aanvragen van drie vreemdelingen afgewezen, waarna de rechtbank deze besluiten vernietigde en nieuwe besluitvorming beval.
De Raad van State bevestigt dat het criterium voor het ten laste komen van een familielid moet worden beoordeeld op het moment van het verzoek om afgifte van het verblijfsdocument, waarbij de situatie in het land van herkomst (Turkije) relevant is, ook als de vreemdeling al langere tijd in Nederland verblijft. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Yunying Jia en de toepasselijke bepalingen van de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000.
Voor de vreemdelingen sub 2 en 3 oordeelt de Raad dat zij niet als familieleden in de zin van artikel 8.7, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit kunnen worden aangemerkt, omdat zij in het land van herkomst niet ten laste zijn geweest van of hebben ingewoond bij de EU-burger. Daarom vernietigt de Raad het bestreden vonnis voor zover het deze vreemdelingen betreft en verklaart hun beroepen ongegrond.
De Raad bevestigt het bestreden vonnis voor het overige en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling sub 1. Hiermee wordt de rechtspositie van familieleden van EU-burgers bij verblijfsaanvragen verduidelijkt en de toepassing van Europese richtlijnen en nationale regelgeving bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond voor twee vreemdelingen die niet als familieleden worden aangemerkt, hun beroepen worden ongegrond verklaard; voor de overige vreemdeling wordt het vonnis bevestigd.