Appellante had voor 2021 huurtoeslag aangevraagd, maar de Dienst Toeslagen stelde deze definitief vast op nihil omdat haar woonruimte niet als zelfstandige woonruimte werd aangemerkt. De reden was dat zij niet het exclusieve gebruik had van keuken, toilet en badkamer, mede omdat zij bij haar moeder woonde die eigenaar was van de woning.
De rechtbank bevestigde dit standpunt, maar in hoger beroep stelde de Dienst Toeslagen dat het exclusieve gebruik van de badkamer niet ter discussie stond, en dat alleen het exclusieve gebruik van de keuken relevant was. Appellante betoogde dat haar woonruimte, inclusief keuken, woonkamer, slaapkamers, toilet en badkamer, exclusief door haar en haar kinderen werd gebruikt. De moeder had een eigen keuken met aparte toegang via de tuin, en mocht alleen met toestemming door de keuken van appellante lopen.
De Raad van State oordeelde dat de keuken van appellante exclusief aan haar toekomt, omdat de moeder geen toegang heeft zonder toestemming en een eigen keuken heeft. Het betoog van de Dienst Toeslagen dat het gebruik niet exclusief zou zijn, faalde. Daarom is het hoger beroep gegrond en wordt het besluit van de rechtbank vernietigd voor zover het de rechtsgevolgen van het bezwaarbesluit in stand liet. De Dienst Toeslagen moet een nieuw besluit nemen.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt een termijn van zes weken voor het nieuwe besluit en bepaalt dat tegen dat besluit alleen beroep bij haar kan worden ingesteld. Tevens worden de proceskosten en griffierechten aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de Dienst Toeslagen moet een nieuw besluit nemen over de huurtoeslag van appellante.
Uitspraak
202503238/1/A2.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 april 2025 in zaak nr. 24/5935 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 11 augustus 2023 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] voor het jaar 2021 definitief vastgesteld op nihil.
Bij besluit van 8 mei 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 mei 2024 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 december 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.R.R. Oevering, advocaat in Amsterdam, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De Dienst Toeslagen heeft de huurtoeslag van [appellante] over 2021 definitief vastgesteld op nihil. [appellante] stond heel het jaar 2021 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (Brp) op hetzelfde adres als haar moeder. De moeder is de eigenaar van deze woning. Volgens de Dienst Toeslagen is de woonruime van [appellante] geen zelfstandige woonruimte en had zij daarom geen recht op huurtoeslag, omdat het inkomen van haar moeder als haar medebewoner meetelt bij de vraag of daarop recht bestaat. De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld dat de Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat [appellante] niet beschikte over zelfstandige woonruimte, omdat zij niet het exclusieve gebruik had van keuken, toilet en badkamer. Op de zitting bij de Afdeling heeft de Dienst Toeslagen aangegeven dat zij niet heeft beoogd om tegen te werpen dat [appellante] geen exclusief gebruiksrecht van de badkamer had. Voor zover dit uit rechtsoverweging 8 van de uitspraak van de rechtbank kan worden afgeleid, berust dit niet op het standpunt van de Dienst Toeslagen. Gelet hierop is, zoals de Dienst Toeslagen op de zitting heeft bevestigd, in hoger beroep alleen in geschil of in 2021 het gebruik van de keuken exclusief aan [appellante] toekwamen wat dat betekent voor de vraag of de woonruimte van [appellante] als zelfstandige woonruimte kan worden aangemerkt.
Beoordeling van het hoger beroep van [appellante]
2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Dienst Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van huur van een zelfstandige woonruimte. Haar moeder gebruikt de achter haar eigen keuken gelegen bijkeuken als keuken en heeft daartoe via de tuin toegang. De deur tussen beide keukens is aan beide kanten afsluitbaar. Dat zij tijdens een telefoongesprek op 28 oktober 2024 met een medewerker van de Dienst Toeslagen heeft erkend dat haar moeder bij heel slecht weer via haar keuken naar haar eigen keuken mag lopen is uit zijn verband getrokken en betekent niet dat het gebruik van de keuken niet exclusief aan haar is. Zij moet daarvoor immers toestemming geven omdat zowel de woonkamerdeur als de keukendeur voorzien zijn van een slot. Haar woonruimte bestaat uit een keuken, een woonkamer, slaapkamers, toilet en badkamer die alleen door haar en haar kinderen worden gebruikt en voldoet daarmee aan de eis van een zelfstandige woonruimte.
3. Voor de uitleg van het begrip zelfstandige woonruimte in de Wet op de huurtoeslag moet aansluiting worden gezocht bij de definitie ervan in artikel 7:234 vanPro het BW. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1978/79, 14 249, nr. 6, p. 2) blijkt, dat het vereiste dat er geen afhankelijkheid mag zijn van voorzieningen buiten de woning onder andere wil zeggen, dat de woning moet zijn voorzien van een keuken, toilet en wasruimte. Het gebruik van deze voorzieningen moet exclusief aan huurder toekomen (zie de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2430).
4. Niet is in geschil dat zowel de woonruimte van [appellante] als de woonruimte van haar moeder bereikbaar is via een eigen afgesloten toegang en dat deze woonruimtes eigen wezenlijke voorzieningen hebben, waaronder een eigen keuken. Vast staat ook dat de moeder van [appellante] haar keuken kan bereiken via een afzonderlijke toegang in de tuin. In geschil is of de keuken van [appellante] voor haar exclusief is, of dat dit niet zo is omdat de moeder van [appellante] door deze keuken naar haar eigen keuken gaat. De deuren van deze keukens zijn, zoals [appellante] onbestreden heeft gesteld en met foto’s heeft onderbouwd, aan beide kanten afsluitbaar. Ook de woonkamer van [appellante] is afsluitbaar. De moeder van [appellante] heeft zonder toestemming van [appellante] geen toegang tot deze ruimtes en is voor het betreden van haar eigen keuken niet afhankelijk van toegang tot de woonruimte of keuken van [appellante]. Dat de moeder van [appellante] in voorkomende gevallen met toestemming van [appellante] haar woonkamer en keuken passeert om bij haar eigen keuken te komen, maakt, anders dan de Dienst Toeslagen betoogt, niet dat de keuken van [appellante] niet een voor haar exclusieve voorziening is en dat de woonruimte van [appellante] daarom geen zelfstandige woonruimte is. Door de Dienst Toeslagen is niet gesteld dat [appellante] haar keuken deelt met haar moeder en ook anderszins is dit niet gebleken. Van een situatie waarbij het gebruik van de keuken niet exclusief aan [appellante] toekomt, is geen sprake. Het betoog van [appellante] slaagt.
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. De rechtbank heeft het besluit 8 mei 2024 terecht, zij het op andere gronden dan hierboven onder 4 door de Afdeling is overwogen, vernietigd. Gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 4 heeft overwogen, is er geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. De Afdeling zal daarom de uitspraak alleen vernietigen voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 8 mei 2024 in stand zijn gelaten. De Dienst Toeslagen moet met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het bezwaar van [appellante] nemen. De Afdeling kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat de Afdeling niet weet op hoeveel huurtoeslag [appellante] recht heeft. De Afdeling zal de Dienst Toeslagen een termijn stellen voor het nemen van een nieuw besluit.
Judiciële lus
6. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
Proceskosten
7. De Dienst Toeslagen moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 april 2025 in zaak nr. 24/5935; voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 8 mei 2024 in stand heeft gelaten;
III. draagt de Dienst Toeslagen op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
IV. bepaalt dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
V. veroordeelt Dienst Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat Dienst Toeslagen aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.