ECLI:NL:RVS:2026:78
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering omgevingsvergunning tijdelijke seniorenwoning in agrarisch gebied
Op 3 december 2020 diende appellant een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor een tijdelijke seniorenwoning op een perceel in Egmond-Binnen. De vergunning werd van rechtswege verleend omdat het college niet tijdig besliste. Na bezwaar van omwonenden, partijen A en B, herzag het college het besluit, herroept de vergunning en weigerde alsnog de vergunning vanwege strijd met het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1998".
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de weigering. Appellant stelde in hoger beroep dat partijen A en B ten onrechte als belanghebbenden werden aangemerkt en dat het college niet bevoegd was de vergunning in te trekken. De Afdeling oordeelde dat partijen A en B belanghebbenden zijn vanwege hun aangrenzende percelen en mogelijke feitelijke gevolgen.
Verder stelde de Afdeling vast dat de herroeping van de vergunning geen intrekking in de zin van artikel 2.33 Wabo betrof, maar een heroverweging na bezwaar, waarbij het college bevoegd was de vergunning te weigeren. Het college handelde niet in strijd met het hoor- en wederhoorbeginsel. Het belang van het behoud van het open karakter van het buitengebied rechtvaardigde de weigering.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning bevestigd.