ECLI:NL:RVS:2026:8

Raad van State

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
BRS.25.001304
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over bewaring in vreemdelingenrecht

Bij besluit van 27 augustus 2025 stelde de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 12 september 2025 het beroep gegrond verklaarde, de bewaring ophefte en schadevergoeding toekende.

De minister ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevatte die voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming relevant zijn en bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank zonder nadere motivering.

De Afdeling zag ook ambtshalve geen reden om de bewaring alsnog als rechtmatig te beschouwen en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 6 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

BRS.25.001304
Datum uitspraak: 6 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 12 september 2025 in zaak nr. NL25.41654 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 augustus 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 12 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Berkel en Rodenrijs, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.        Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 17 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4282, onder 3, over het op verzoek indienen van een schriftelijke reactie vanuit het oogpunt van hoor en wederhoor, waarvoor geen proceskosten worden toegekend). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2026
347-1085