ECLI:NL:RVS:2026:843

Raad van State

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
202600484/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:41, vijfde lid AwbArt. 8:67 AwbArt. G 5, tweede lid KieswetArt. D 8, tweede lid Kieswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen besluit centraal stembureau Den Haag over kandidatenlijsten

ORDA heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de raad van de gemeente Den Haag van 6 februari 2026. Dit besluit betrof de geldigheid, nummering en handhaving van kandidatenlijsten en de daarop voorkomende kandidaten.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het beroep behandeld tijdens een openbare zitting op 13 februari 2026. ORDA was op grond van artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht griffierecht te betalen. De wet en de Kieswet bepalen dat dit griffierecht binnen een termijn van twee weken moet worden voldaan, tenzij de voorzitter een kortere termijn stelt.

ORDA werd bij brief van 11 februari 2026 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en dat betaling uiterlijk op de zitting van 13 februari 2026 moest plaatsvinden. Het griffierecht is niet binnen deze termijn betaald. Er zijn geen omstandigheden gebleken die het verzuim van ORDA rechtvaardigen. Daarom verklaart de Afdeling het beroep niet-ontvankelijk. Het centraal stembureau hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van ORDA wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

202600484/1/A2.
Datum uitspraak: 13 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
ORDA, gevestigd in Nijmegen,
appellante,
en
het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de raad van de gemeente Den Haag,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 13 februari 2026 om 11:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.J. Borman, voorzitter
Staatsraad mr. C.C.W. Lange, lid
Staatsraad mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid
griffier: mr. A.S. Rietveld
Verschenen:
het centraal stembureau, vertegenwoordigd door W.G.C. Wijsman, E.D. Schermers en O.J. Veldman;
de kiesraad, vertegenwoordigd door mr. drs. A.J. Trouborst
Het beroep richt zich tegen het besluit van het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de raad van de gemeente Den Haag van 6 februari 2026, waarin het centraal stembureau heeft besloten over de geldigheid en nummering van de kandidatenlijsten, over het handhaven van de daarop voorkomende kandidaten en de daarboven geplaatste aanduiding.
De Afdeling verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Gronden
ORDA is op grond van artikel 8:41 van Pro de Awb voor het door haar ingestelde beroep griffierecht verschuldigd. Een beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard, indien storting of bijschrijving van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
In artikel G 5, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel D 8, tweede lid, van de Kieswet, is in afwijking van artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb bepaald dat de termijn, binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag moet plaatsvinden, twee weken bedraagt. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan een kortere termijn stellen.
ORDA is bij brief van 11 februari 2026 op de verschuldigdheid van het griffierecht gewezen. In die brief is vermeld dat het griffierecht uiterlijk tot op de zitting van 13 februari 2026 kon worden betaald. Het bedrag is niet binnen de gestelde termijn op de rekening van de Raad van State bijgeschreven. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat ORDA in verzuim is geweest.
Het centraal stembureau hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Rietveld
griffier
1064