ECLI:NL:RVS:2026:871

Raad van State

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
202005625/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Vw 2000Art. 3.86 Vb 2000Art. 22b WvSrArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekking verblijfsvergunning wegens onvoldoende motivering ernstige inbreuk lichamelijke integriteit

Appellant, met rechtmatig verblijf sinds 1989 en een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd sinds 1995, kreeg zijn vergunning met terugwerkende kracht tot 2013 ingetrokken vanwege veroordelingen voor meerdere misdrijven met gevangenisstraffen van drie jaar of meer. De minister baseerde dit op artikel 22, tweede lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Appellant voerde aan dat de misdrijven niet voldeden aan de criteria van artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, die bepalen dat een taakstraf niet wordt opgelegd bij ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet alle relevante misdrijven had betrokken en dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de misdrijven een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van slachtoffers hadden veroorzaakt.

De Afdeling benadrukte dat het aan de minister is om concrete feiten en omstandigheden te overleggen die de ernst van de lichamelijke gevolgen aantonen, zoals aard en duur van het letsel en medische behandeling. De minister had dit niet gedaan, ook niet na gelegenheid tot nadere reactie. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 februari 2020 vernietigd en de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van ernstige inbreuk op lichamelijke integriteit.

Uitspraak

202005625/1/V3.
Datum uitspraak: 13 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 25 september 2020 in zaak nr. 20/1763 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij besluit van 6 februari 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 september 2020 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Wortel, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
Inleiding
1.       Appellant komt naar eigen zeggen uit Noord-Macedonië. Hij heeft sinds 10 oktober 1989 rechtmatig verblijf in Nederland. Met ingang van 4 september 1995 heeft hij een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De minister heeft deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 26 februari 2013 ingetrokken om redenen van openbare orde op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en artikel 3.86, vierde en vijfde lid, van het Vb 2000. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op informatie van de Justitiële Informatiedienst waaruit blijkt dat appellant onherroepelijk is veroordeeld voor meer dan drie misdrijven waar een gevangenisstraf van drie jaar of meer op staat.
1.1.    Niet in geschil zijn de normen die op grond van artikel 3.86, vierde en vijfde lid, van het Vb 2000 op appellant van toepassing zijn. Deze normen gaan over de verhouding tussen de duur van het rechtmatig verblijf van een vreemdeling en de periode waarvoor die vreemdeling onherroepelijk is veroordeeld voor misdrijven.
1.2.    Het hoger beroep gaat over de vraag of de misdrijven die de minister aan de intrekking van de verblijfsvergunning van appellant ten grondslag heeft gelegd, vallen onder artikel 3.86, tiende lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000.
Standpunt appellant
2.       In zijn eerste grief betoogt appellant dat de minister ten onrechte de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd heeft ingetrokken. Hij had op het moment van de intrekking van zijn verblijfsvergunning meer dan tien jaar rechtmatig verblijf en beroept zich op artikel 3.86, tiende lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. De rechtbank heeft volgens hem niet onderkend dat de misdrijven waarvoor hij onherroepelijk is veroordeeld en die de minister aan het besluit van 6 februari 2020 ten grondslag heeft gelegd, geen misdrijven zijn als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr).
Wettelijk kader en relevante rechtspraak
3.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
4.       De wetgever heeft ervoor gekozen om in artikel 3.86, tiende lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 aan te sluiten bij artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a of b, van het WvSr. Deze bepalingen gaan over het taakstrafverbod. De minister trekt een verblijfsvergunning van een vreemdeling met een verblijfsduur van minimaal tien jaar niet in, tenzij die vreemdeling onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a of b, van het WvSr. Dat is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad, of een specifiek misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder b, van het WvSr. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 18 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2984, onder 5.1.
4.1.    Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit moet worden gekeken naar de lichamelijke gevolgen (in de zin van tastbare aanraking van, of fysieke inwerking op, het lichaam) die het slachtoffer daadwerkelijk heeft ondervonden als gevolg van het misdrijf. In de memorie van toelichting bij artikel 22b, eerste lid, van het WvSr (Kamerstukken II 2009/10, 32 169, nr. 3) staat immers dat het materiële criterium in het teken staat van de gevolgen van het gepleegde misdrijf en dat bij de formulering van dit criterium er bewust van is afgezien te spreken van de gevolgen voor de geestelijke integriteit van het slachtoffer. Daaruit volgt dat het uitsluitend gaat over de lichamelijke gevolgen die het misdrijf voor het slachtoffer heeft gehad. De Afdeling verwijst voor deze uitleg naar haar uitspraak van 18 oktober 2022, onder 5.4. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat zij voor haar uitleg steun vindt in het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:66, onder 3.4. Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, mede gelet op de hiervoor genoemde memorie van toelichting, op grond van artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a, van het WvSr een taakstraf alleen is uitgesloten indien daadwerkelijk een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Beoordeling
5.       Appellant betoogt terecht dat de rechtbank het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 24 juli 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:3307, ten onrechte ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel over de bevoegdheid van de minister om de verblijfsvergunning in zijn geval in te trekken. Uit dit vonnis volgt dat appellant is veroordeeld voor misdrijven gepleegd op 13 oktober 2017 en 24 januari 2018, namelijk mishandeling, bedreiging met een misdrijf gericht tegen het leven en belediging van een hulpofficier van justitie. Uit het vonnis blijkt dat het om misdrijven gaat als bedoeld in de artikelen 266, 267, 285, 300 en 304 van het WvSr. Naar de wettelijke omschrijving staat op deze misdrijven geen gevangenisstraf van zes jaar of meer. Aan het formele vereiste bedoeld in artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a, van het WvSr is dus niet voldaan. Daarnaast vallen deze misdrijven niet onder de in artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder b, van het WvSr genoemde uitzonderingen, waarvoor een intrekking van een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.86, tiende lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 wel is toegelaten.
5.1.    Naast de onder 5 genoemde misdrijven, heeft de minister bij haar standpunt over de intrekking van de verblijfsvergunning een aantal andere misdrijven betrokken die volgens haar onder artikel 22b, eerste lid, van het WvSr vallen. Uit het besluit van 6 februari 2020 blijkt dat het gaat om pogingen tot diefstal met geweld in vereniging gepleegd in 1987 en 1993, een poging tot zware mishandeling gepleegd in 1994, een diefstal met geweld in vereniging gepleegd in 2000 en een poging tot doodslag gepleegd in 2006. De rechtbank heeft deze misdrijven niet betrokken in haar oordeel. Omdat de onder 5 genoemde misdrijven niet vallen onder artikel 22b, eerste lid, van het WvSr, en de rechtbank op grond van deze misdrijven dus niet kon concluderen dat het beroep van appellant op artikel 3.86, tiende lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 niet slaagt, zal de Afdeling alsnog op de andere door de minister genoemde misdrijven ingaan. De Afdeling is van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom deze misdrijven hebben geleid tot een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a, van het WvSr.
5.2.    Over de pogingen tot diefstal met geweld in vereniging uit 1987 en 1993, de poging tot zware mishandeling uit 1994 en de diefstal met geweld en bedreiging met geweld uit 2000 heeft de minister geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers blijkt. De Afdeling benadrukt dat een intrekking van een verblijfsvergunning een belastend besluit is en dat het aan de minister is om te motiveren dat, en waarom, er een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van een slachtoffer als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a, van het WvSr is geweest. De minister heeft gewezen op de ernst van de misdrijven, de mogelijke gevolgen ervan voor een slachtoffer en de daadwerkelijk opgelegde gevangenisstraffen, maar dat zijn geen feiten en omstandigheden waaruit een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit blijkt in de zin van het onder 4.1 genoemde arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2017 en de onder 4 en 4.1 genoemde uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2022. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden geven, ook in onderlinge samenhang bezien, namelijk geen duidelijkheid over de daadwerkelijke lichamelijke gevolgen voor de bij de misdrijven betrokken slachtoffers en de ernst ervan. Hetzelfde geldt voor het standpunt van de minister dat er bij de diefstal in vereniging uit 2000 geweld en bedreiging met geweld is toegepast. Deze feiten en omstandigheden kunnen iets zeggen over de ernst van strafbare feiten, maar leveren geen deugdelijke motivering op voor een conclusie dat het misdrijf ook daadwerkelijk een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad.
5.3.    Bij de poging tot doodslag uit 2006 heeft de minister gewezen op een verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Arnhem van 9 februari 2007. Daaruit volgt dat bij het slachtoffer als gevolg van het misdrijf een arm uit de kom is geraakt. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat uit alleen deze informatie niet blijkt dat er sprake is geweest van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer als bedoeld in de hiervoor genoemde rechtspraak van de Hoge Raad en de Afdeling over artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a, van het WvSr. Hij heeft daarbij een beroep gedaan op een Letsellijst van Schadefonds Geweldsmisdrijven uit augustus 2021. Daaruit blijkt volgens appellant dat een arm uit de kom aangemerkt wordt als de op een na lichtste fysieke letselcategorie, binnen de categorieën nul tot en met zes. Verder heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat er door het slachtoffer geen verzoek tot schadevergoeding in de strafzaak is ingediend.
De minister heeft naar het oordeel van de Afdeling niet deugdelijk gemotiveerd waarom het door appellant in 2006 gepleegde strafbare feit een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad, als bedoeld onder 4.1. De ernst van het strafbare feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, geven in dit geval geen inzicht in de daadwerkelijke lichamelijke gevolgen voor het slachtoffer. De door appellant overgelegde Letsellijst van Schadefonds Geweldsmisdrijven is naar het oordeel van de Afdeling overigens op zichzelf bezien van onvoldoende gewicht voor een antwoord op de vraag of de lichamelijke gevolgen van een misdrijf in het desbetreffende geval wel of geen ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer zijn. Ook het uitblijven van een schadeverzoek van het slachtoffer is voor een antwoord op deze vraag niet bepalend. De minister had echter, gelet op het onderbouwde standpunt van appellant, een nader gemotiveerd standpunt in moeten nemen door concrete informatie over de ernst van de lichamelijke gevolgen voor het betrokken slachtoffer over te leggen dan wel daarover voldoende verifieerbare concrete informatie te verschaffen. Daarbij kunnen bijvoorbeeld de ernst van het specifieke lichamelijke letsel, de gevolgen ervan, de aard van een medische behandeling en de duur van een medische behandeling of van het herstel worden betrokken. Dat de minister haar standpunt over een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer met concrete feiten en omstandigheden moet motiveren, is een gevolg van de hiervoor onder 4 beschreven, door de wetgever gemaakte koppeling tussen artikel 3.86, tiende lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 en artikel 22b, eerste lid, van het WvSr. De Afdeling heeft de minister in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op het standpunt van appellant te reageren, maar zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
5.4.    De minister betoogt over de poging tot doodslag uit 2006 dat appellant bewust het leven van het slachtoffer in gevaar heeft gebracht en dat daarmee is voldaan aan artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a, van het WvSr. Zij beroept zich daarbij op een uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:279, onder 15 en verder. De Afdeling volgt haar hierin niet, gelet op wat hiervoor onder 4 en 4.1 is overwogen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2022 volgt dat niet de mogelijke, maar de daadwerkelijke gevolgen van een misdrijf relevant zijn voor een antwoord op de vraag of een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van een slachtoffer als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder a, van het WvSr. Dat geldt ook als het om een zeer ernstig misdrijf gaat.
5.5.    Ook anderszins is de Afdeling op grond van de stukken in deze zaak niet gebleken van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit als gevolg van de hiervoor genoemde misdrijven. De hiervoor genoemde misdrijven vallen ook niet onder de misdrijven in artikel 22b, eerste lid, aanhef en onder b, van het WvSr. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het beroep van appellant op artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000 niet slaagt.
5.6.    De eerste grief slaagt.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 6 februari 2020 wordt vernietigd. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 25 september 2020 in zaak nr. 20/1763;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 6 februari 2020, V-[...];
V.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.269,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026
922
BIJLAGE
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 22
[…]
2. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20, kan worden ingetrokken indien:
[…]
c. de houder daarvan bij onherroepelijk rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem terzake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd;
[…]
Wetboek van Strafrecht
Artikel 22b
1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:
a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad;
b. een van de misdrijven omschreven in de artikelen 181, 240b, 248a, 248b, 248c en 250.
[…]
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 3.86
[…]
4. De aanvraag kan voorts worden afgewezen op grond van artikel 18, eerste lid, onder e, van de Wet, indien de vreemdeling wegens ten minste drie misdrijven bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf of jeugddetentie, een taakstraf of een maatregel als bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a of b, van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, dan wel het buitenlandse equivalent van een dergelijke straf of maatregel is opgelegd, en de totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van die straffen en maatregelen ten minste gelijk is aan de in het vijfde lid bedoelde norm.
5. De in het vierde lid bedoelde norm bedraagt bij een verblijfsduur van:
minder dan 3 jaar: 1 dag;
ten minste 3 jaar, maar minder dan 4 jaar: 4 maanden;
ten minste 4 jaar, maar minder dan 5 jaar: 5 maanden;
ten minste 5 jaar, maar minder dan 6 jaar: 6 maanden;
ten minste 6 jaar, maar minder dan 7 jaar: 7 maanden;
ten minste 7 jaar, maar minder dan 8 jaar: 8 maanden;
ten minste 8 jaar, maar minder dan 9 jaar: 9 maanden;
ten minste 9 jaar, maar minder dan 10 jaar: 10 maanden;
ten minste 10 jaar, maar minder dan 15 jaar: 12 maanden;
ten minste 15 jaar: 14 maanden.
[…]
10. In afwijking van de voorgaande leden wordt de aanvraag niet afgewezen bij een verblijfsduur van tien jaren, tenzij er sprake is van:
a. een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
b. een misdrijf uit de Opiumwet waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld.
[…]