ECLI:NL:RVS:2026:882
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 21 november 2025 is afgewezen. Verzoeker stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 6 februari 2026 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde verzoeker hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft op 17 februari 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, ter hoogte van € 934,00.
Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij rekening is gehouden met de belangen van verzoeker en de voortgang van de procedure. De uitspraak is in het openbaar gedaan en ondertekend door voorzieningenrechter C.M. Wissels en griffier E.L. Iedema.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.