ECLI:NL:RVS:2026:891

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
BRS.26.000640
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting en voor opvang bij afgewezen asielaanvragen

Verzoekers hebben bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 2 oktober 2025 is afgewezen. Hiertegen hebben zij beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 28 januari 2026 het beroep deels gegrond verklaarde en de terugkeerbesluiten vernietigde.

Zowel de minister als verzoekers hebben hoger beroep ingesteld bij de Raad van State. Verzoekers hebben tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om te voorkomen dat zij worden uitgezet voordat het hoger beroep is beslist en om opvang en verstrekkingen te verkrijgen.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 18 februari 2026 besloten de voorlopige voorziening toe te wijzen. Verzoekers mogen niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is afgerond en de minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekers, bestaande uit kosten van rechtsbijstand.

Deze beslissing is genomen met toepassing van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht en bevestigt de bescherming van verzoekers in afwachting van de definitieve uitspraak in hoger beroep.

Uitkomst: Verzoekers mogen niet worden uitgezet en krijgen recht op opvang totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.000640
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van onder meer:
[verzoeker 1], mede namens zijn minderjarige zoon, en [verzoeker 2],
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 januari 2026 in zaken nrs. NL25.49345 en NL25.49349 in het geding tussen:
verzoekers
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 2 oktober 2025 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 28 januari 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd voor zover daarin aan verzoekers een terugkeerbesluit is opgelegd en bepaald dat de rechtsgevolgen voor het overige in stand blijven.
Tegen deze uitspraak hebben de minister en verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet worden uitgezet, totdat op het door hun ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Wissels
voorzieningenrechter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
644