ECLI:NL:RVS:2026:891
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en voor opvang bij afgewezen asielaanvragen
Verzoekers hebben bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 2 oktober 2025 is afgewezen. Hiertegen hebben zij beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 28 januari 2026 het beroep deels gegrond verklaarde en de terugkeerbesluiten vernietigde.
Zowel de minister als verzoekers hebben hoger beroep ingesteld bij de Raad van State. Verzoekers hebben tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om te voorkomen dat zij worden uitgezet voordat het hoger beroep is beslist en om opvang en verstrekkingen te verkrijgen.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 18 februari 2026 besloten de voorlopige voorziening toe te wijzen. Verzoekers mogen niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is afgerond en de minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekers, bestaande uit kosten van rechtsbijstand.
Deze beslissing is genomen met toepassing van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht en bevestigt de bescherming van verzoekers in afwachting van de definitieve uitspraak in hoger beroep.
Uitkomst: Verzoekers mogen niet worden uitgezet en krijgen recht op opvang totdat het hoger beroep is beslist.