ECLI:NL:RVS:2026:896
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging sluitingsbesluit woning wegens onvoldoende bewijs drugshandel
De burgemeester van Rotterdam besloot op grond van artikel 13b van de Opiumwet de woning van de wederpartij voor drie maanden te sluiten vanwege vermoedens van drugshandel. Dit besluit werd gehandhaafd in bezwaar, maar de rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond, vernietigde het besluit en herroept het sluitingsbesluit.
De rechtbank oordeelde dat de aangetroffen hoeveelheid drugs gering was en dat de wederpartij had verklaard dat de drugs voor eigen gebruik waren. Daarnaast ontbraken onderliggende stukken die de bestuurlijke rapportage controleerbaar zouden maken, waardoor het besluit onvoldoende was gemotiveerd en de burgemeester niet bevoegd was tot sluiting.
De burgemeester stelde hoger beroep in, stellende dat er voldoende aanwijzingen waren voor drugshandel en dat de rechtbank ten onrechte het bewijs onvoldoende achtte. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde echter het oordeel van de rechtbank dat de bestuurlijke rapportage onvoldoende controleerbaar was door het ontbreken van onderliggende stukken en dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de vernietiging van het besluit en veroordeelde de burgemeester tot vergoeding van de proceskosten van de wederpartij. Tevens werd griffierecht geheven van de burgemeester.
Uitkomst: Het hoger beroep van de burgemeester wordt ongegrond verklaard en het besluit tot sluiting van de woning wordt vernietigd.