ECLI:NL:RVS:2026:904

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
202501071/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.B. Blomberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FaillissementswetArt. 6 EVRMArt. 49h Nadere regels sociaal domein Alphen aan den RijnArt. 49i Nadere regels sociaal domein Alphen aan den Rijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldhulpverlening wegens onvoldoende medewerking door appellanten

Appellanten werden in juli 2020 toegelaten tot schuldhulpverlening door het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn. Niet alle schuldeisers werkten mee aan het traject, waarna appellanten de rechtbank verzochten om een dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet. Appellanten verschenen niet op meerdere zittingen, waarna de rechtbank hun verzoeken als ingetrokken beschouwde en het college hierover informeerde.

Het college beëindigde vervolgens de schuldhulpverlening op 10 maart 2022 wegens het niet verlenen van alle medewerking die redelijkerwijs nodig was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen deze beëindiging ongegrond, maar veroordeelde de Staat tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding met een wegingsfactor van 0,25.

In hoger beroep betoogden appellanten dat zij niet wisten van de intrekking en dat het college verweer had moeten voeren tegen de intrekking. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college terecht de schuldhulpverlening beëindigde vanwege het gedrag van appellanten en dat het college geen partij was in de intrekkingsprocedure. Tevens stelde de Afdeling vast dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 toepaste en corrigeerde dit naar 0,5, waardoor de proceskostenvergoeding werd verhoogd.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van het vonnis over de proceskosten en veroordeelde de Staat tot vergoeding van hogere proceskosten en griffierecht. De beslissing bevestigt het belang van medewerking in schuldhulpverlening en de correcte toepassing van proceskostenregels bij overschrijding van redelijke termijnen.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de beëindiging van schuldhulpverlening wegens onvoldoende medewerking en corrigeert de proceskostenvergoeding naar een hogere wegingsfactor.

Uitspraak

202501071/1/A2.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in Alphen aan den Rijn,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2024 in zaak nr. 22/7547 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 10 maart 2022 heeft het college de schuldhulpverlening aan [appellanten] beëindigd.
Bij besluit van 11 oktober 2022 heeft het college de door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) veroordeeld om aan [appellanten] een schadevergoeding van € 500,00 te betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft de Staat veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 218,75.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Staat is partij in dit geding.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 december 2025, waar het college, vertegenwoordigd door B.A. Veenendaal, is verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2.       Bij besluit van 7 juli 2020 en 14 juli 2020 heeft het college [appellanten] op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) toegelaten tot de schuldhulpverlening. Niet alle schuldeisers wilden meewerken aan dit traject. Daarom hebben [appellanten] de rechtbank Den Haag in februari 2021 verzocht om de schuldeisers op grond van artikel 287a van de Faillissementswet te bevelen om in te stemmen met de schuldregeling (het dwangakkoord). [appellanten] hebben eveneens verzoeken om toelating tot een traject op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen ingediend. [appellanten] zijn door de rechtbank opgeroepen voor de behandeling van de verzoekschriften op 10 juni 2021 en, wegens het niet verschijnen op die zitting, voor de zitting van 30 september 2021. Op de zitting van 30 september 2021 zijn "begunstigers" van [appellanten] verschenen. Eén van hen heeft de rechter gewraakt. [appellanten] zijn vervolgens opgeroepen voor de behandeling van de verzoekschriften op een zitting van 21 februari 2022. Ook op die zitting zijn [appellanten] niet verschenen. De rechtbank heeft de verzoeken vervolgens op 10 maart 2022 als ingetrokken beschouwd en het college daarover geïnformeerd.
2.1.    Bij besluiten van 10 maart 2022, gehandhaafd bij het besluit van 11 oktober 2022, heeft het college de schuldhulpverlening op grond van het destijds geldende artikel 49h, eerste lid, en artikel 49i, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder k, van de Nadere regels sociaal domein Alphen aan den Rijn (Nadere regels), beëindigd. Volgens het college hebben [appellanten], door niet te verschijnen op de zittingen waar de verzoeken om een dwangakkoord zouden worden behandeld, niet voldaan aan hun verplichting om alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is gedurende de aanvraagperiode en tijdens de schuldhulpverlening.
Uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid gebruik kon maken van de bevoegdheid om de schuldhulpverlening aan [appellanten] te beëindigen. [appellanten] hebben immers niet alle medewerking verleend die redelijkerwijs nodig was in het kader van de schuldhulpverlening.
Verder heeft de rechtbank de Staat veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank heeft de Staat ook veroordeeld in de door [appellanten] gemaakte proceskosten ten aanzien van dat verzoek. De rechtbank heeft 1 punt toegekend voor het indienen van het verzoek en daarbij wegingsfactor 0,25 gehanteerd.
Hoger beroep en beoordeling daarvan
4.       [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de schuldhulpverlening heeft mogen beëindigen. Zij wisten niet dat de rechtbank de verzoeken op 10 maart 2022 als ingetrokken heeft beschouwd. Als zij dat hadden geweten, dan hadden zij daartegen opgekomen. Zij betogen verder dat het college verweer had moeten voeren tegen de beslissing van de rechtbank van 10 maart 2022 om de verzoeken als ingetrokken te beschouwen. Het college was immers ook partij bij de verzoeken.
4.1.    De Afdeling stelt voorop dat niet de beslissing van de rechtbank van 10 maart 2022 om de verzoeken als ingetrokken te beschouwen, maar de gedragingen van [appellanten] hebben geleid tot het besluit van het college om de schuldhulpverlening te beëindigen. Zij zijn op meerdere zittingen van de rechtbank niet verschenen. Door niet op de zittingen te verschijnen hebben [appellanten] zich niet gehouden aan hun verplichting om alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is gedurende de aanvraagperiode en tijdens de schuldhulpverlening als bedoeld in artikel 49h, eerste lid, van de Nadere regels en artikel 49i, tweede lid, aanhef en onder k, van de Nadere regels. Het college heeft op basis daarvan de schuldhulpverlening mogen beëindigen. Voor zover [appellanten] betogen dat het college verweer had moeten voeren tegen de beslissing van de rechtbank om de verzoeken als ingetrokken te beschouwen, overweegt de Afdeling dat daarvoor geen rechtsgrond bestaat. Het college is geen partij in die procedure. Voor zover [appellanten] menen dat zij niet in staat waren om zelf tegen het oordeel van de rechtbank op te komen, had het op hun weg gelegen om hun bewindvoerder, of een andere gemachtigde, in te schakelen om dat voor hen te doen.
Het betoog slaagt niet.
5.       [appellanten] betogen verder dat de rechtbank bij de toekenning van proceskosten voor het indienen van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 6 EVRM Pro ten onrechte wegingsfactor 0,25 heeft toegepast. Volgens vaste jurisprudentie wordt een wegingsfactor van 0,5 gehanteerd.
5.1.    [appellanten] betogen terecht dat de rechtbank een wegingsfactor van 0,5 (licht) en niet een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) had moeten toepassen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt in beginsel wegingsfactor 0,5 toegepast indien een verzoek is ingediend om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294.
Het betoog slaagt.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtbank de Staat heeft veroordeeld in de proceskosten en daarbij een wegingsfactor van 0,25 heeft toegepast. Dit had een wegingsfactor 0,5 moeten zijn. De Afdeling zal de Staat alsnog tot vergoeding van € 467,00 veroordelen. De Staat moet de proceskosten van het hoger beroep vergoeden. Omdat het hoger beroep niet uitsluitend is gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de hoogte van de proceskostenvergoeding, past de Afdeling op dit punt wegingsfactor 1 toe. De Staat moet verder het door [appellanten] voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2024 in zaak nr. 22/7547, voor zover de rechtbank de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) heeft veroordeeld in de proceskosten;
III.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV.     veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V.      gelast dat de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) het door [appellant A] en [appellant B] voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
1033
BIJLAGE
Wettelijk kader
Faillisementswet
Artikel 287a
1. De schuldenaar kan in het verzoekschrift, bedoeld in artikel 284, eerste lid, de rechtbank verzoeken één of meer schuldeisers die weigert of weigeren mee te werken aan een vóór indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Nadere regels sociaal domein Alphen aan den Rijn
Artikel 49h
1. Belanghebbende is verplicht om naast de verplichtingen zoals vastgelegd in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Gedragscode en de modules van de NVVK alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is gedurende de aanvraagperiode en tijdens de schuldhulpverlening.
2. De medewerking bestaat onder andere uit:
a. het nakomen van afspraken, aanvullende voorwaarden en verplichtingen, zoals het aanvragen van beschermingsbewind;
b. de verplichting om zich in te spannen om werk te vinden of te behouden, dan wel het inkomen te verhogen, waarbij de inspanning hiertoe aangetoond moet worden;
c. geen nieuwe schulden maken of aangaan en alle lopende vaste lasten iedere maand op tijd betalen;
d. alle extra inkomsten en vermogen te melden en te reserveren voor de schuldeisers.
Artikel 49i
1. Als de gemeente redelijkerwijs niet de verwachting heeft dat de schuldhulpverlening gestart kan worden of succesvol afgerond zal worden, dan kan schuldhulpverlening worden afgewezen of beëindigd.
2. Schuldhulpverlening kan onder andere worden afgewezen of beëindigd indien:
[…]
k. niet of niet voldoende is voldaan aan de verplichtingen zoals opgenomen in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Gedragscode en de modules van de NVVK) en in deze beleidsregels of aan overige opgelegde verplichtingen;
[…]