202401288/1/R2.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], gevestigd in Boxtel,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 18 januari 2024 in zaak nr. 22/2598 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.
Procesverloop
Bij besluit van 25 februari 2022 heeft het college aan BHE Landbouwwerktuigen & Tuin en Park B.V. (hierna: BHE) een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan gedurende twee jaar verplaatsen van een werkplaats en gedurende tien jaar gedeeltelijk gebruiken van een loods voor detailhandel aan de Schijndelsedijk 14a in Boxtel.
Bij besluit van 19 september 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover dat zag op de ontoereikende motivering van dat besluit en voor het overige ongegrond verklaard. Het college heeft het besluit van 25 februari 2022 met aanvulling van de motivering in stand gelaten en heeft een aanvullend voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden, dat de ondersteunende detailhandel tot maximaal 100 m2 is toegestaan in de ruimte die daar nu voor wordt gebruikt of in een nieuw te bouwen ruimte.
Bij besluit van 18 november 2022 heeft het college het besluit van 19 september 2022 aangevuld door het verzoek van [appellant] om vergoeding van zijn proceskosten alsnog af te wijzen.
Bij brief van 30 december 2022 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat het beroep van [appellant] ook wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van 18 november 2022.
Bij uitspraak van 18 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen de besluiten van 19 september 2022 en 18 november 2022 gegrond verklaard, het besluit van 19 september 2022 vernietigd voor zover aan de omgevingsvergunning een aanvullend voorschrift is verbonden, en bepaald dat in de plaats daarvan een ander aanvullend voorschrift aan de omgevingsvergunning wordt verbonden, namelijk dat de ondersteunende detailhandel tot maximaal 100 m2 is toegestaan vooraan in de nieuwe loods. De rechtbank heeft het besluit van 19 september 2022 voor het overige in stand gelaten en heeft ook het besluit van 18 november 2022 in stand gelaten.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college en BHE hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 december 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A. Posset, advocaat in ‘s-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door V.E.H. van Hees, zijn verschenen. Ook is op de zitting BHE, vertegenwoordigd door mr. F.K. van den Akker, advocaat in Eindhoven, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding omgevingsrecht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 14 oktober 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Wettelijk kader
2. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
3. BHE heeft - voor zover in hoger beroep nog van belang - een legaliserende omgevingsvergunning aangevraagd voor het in afwijking van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied, herziening Schijndelsedijk 14a Boxtel" (hierna: het bestemmingsplan) gedurende tien jaar gedeeltelijk gebruiken van een loods voor ondersteunende detailhandel. Deze activiteiten van BHE zijn in strijd met het bestemmingsplan. Op de plaats met de aanduiding "specifieke vorm van horeca - ondergeschikt" vindt namelijk in strijd met het bestemmingsplan de ondersteunende detailhandel plaats. Daar verkoopt BHE tuingereedschap en parkmachines.
4. Het bedrijf van [appellant] verkoopt ook tuingereedschap en parkmachines en is gevestigd aan de [locatie] in Boxtel, op ongeveer vier kilometer afstand van BHE. Zijn hoger beroep is alleen gericht tegen de toestemming van het college aan BHE om voor tien jaar detailhandel uit te oefenen. De beoordeling van het hoger beroep zal zich dan ook beperken tot dat gebruik.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van [appellant] gegrond is, omdat in het aanvullende voorschrift bij de omgevingsvergunning waarin de maximale omvang van de detailhandel is beperkt tot 100 m2 niet duidelijk is weergegeven waar de detailhandel op het perceel is toegestaan. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dat aanvullende voorschrift vervangen, door aan de omgevingsvergunning toe te voegen dat detailhandel tot maximaal 100 m2 is toegestaan vooraan in de nieuwe loods. Voor het overige blijft de omgevingsvergunning in stand.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat met de detailhandel sprake is van een nevenactiviteit die naar haar aard aansluit bij de bestaande agrarische activiteiten, en niet van de nieuwvestiging van een niet-agrarische bedrijfsactiviteit.
Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de omgevingsvergunning niet rechtstreeks getoetst hoeft te worden aan artikel 3.73, eerste lid, onder a, van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV), maar dat het college in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel rekening moest houden met het achterliggende belang en de doelstellingen die deze bepaling beoogt te beschermen. Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat de detailhandel daarmee niet in strijd is.
Ingetrokken hoger beroepsgrond
6. [appellant] heeft op de zitting zijn hoger beroepsgrond over strijd met de "Visie Bezoekerseconomie Boxtel 2022-2030" ingetrokken.
Is sprake van ondersteunende detailhandel?
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de detailhandel op het perceel, in overeenstemming met de verleende omgevingsvergunning, ondersteunend van aard is. Hij voert aan dat sprake is van reguliere detailhandel. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, sluit de verkoop van tuinmachines en accessoires volgens [appellant] niet aan bij de bestaande agrarische activiteiten op het perceel.
7.1. Deze grond komt overeen met wat [appellant] in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de onder 8.4, 8.7 en 8.8 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Het betoog slaagt niet.
Is de detailhandel in strijd met gemeentelijk beleid?
8. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de nieuwvestiging van detailhandel in het buitengebied in strijd is met de gemeentelijke visie voor het buitengebied, zoals uiteengezet in paragraaf 7.3.2 van de toelichting bij het voormalige bestemmingsplan "Buitengebied 2011". [appellant] voert daarover aan dat met het toestaan van de detailhandel sprake is van de nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid en dat is volgens hem in strijd met die visie.
8.1. Deze grond komt overeen met wat [appellant] in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de onder 8.5 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. Wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Het betoog slaagt niet.
Is er strijd met artikel 3.73 van de IOV?
9. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de detailhandel niet in strijd is met artikel 3.73, eerste lid, onder a, van de IOV. Hij voert aan dat het toestaan van detailhandel op het perceel niet past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied en dat niet is voldaan aan de voorwaarden uit artikel 3.73, eerste lid, onder a, onder 1 tot en met 3, van de IOV. [appellant] heeft op de zitting toegelicht dat de verleende omgevingsvergunning volgens hem onvoldoende is afgebakend.
[appellant] voert ook aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet aannemelijk is dat er bij het toestaan van de detailhandel in landelijk gebied nadelige effecten optreden voor het voorzieningenniveau in de kernen. Uit de "Visie Bezoekerseconomie Boxtel 2022-2030" volgt namelijk dat dat wel zo is.
9.1. Ook deze grond komt overeen met wat [appellant] in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de onder 9.4 tot en met 9.7 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Daar voegt de Afdeling aan toe dat de rechtbank, onder verwijzing in 9.5 naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 september 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:4733, terecht heeft geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de detailhandel die het met de omgevingsvergunning toestaat niet in strijd komt met het achterliggende belang en de doelstellingen van artikel 3.73 van de IOV. Zo heeft het college de toegestane detailhandel in het buitengebied in voldoende mate afgebakend en begrensd. Dat heeft het college gedaan door de detailhandel alleen tijdelijk toe te staan en door voorschriften aan de verleende omgevingsvergunning toe te voegen over een beperkte maximale toegestane omvang van de detailhandel, de openingstijden en de plaats op het perceel waar de detailhandel mag worden uitgevoerd, waardoor de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten de beoogde ontwikkelingsrichting van het buitengebied niet in onevenredige mate wordt doorkruist. 9.1.1. Wat [appellant] verder aanvoert over nadelige effecten voor het voorzieningenniveau in de kernen behoeft geen bespreking, omdat hij in dat kader alleen verwijst naar de "Visie Bezoekerseconomie Boxtel 2022-2030" en hij dat punt op de zitting heeft ingetrokken.
Het betoog slaagt niet.
Relativiteit?
10. Omdat de hoger beroepsgronden niet slagen, zal de Afdeling niet ingaan op de vraag of het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb aan de vernietiging van het besluit van 19 september 2022 in de weg staat.
Conclusie en proceskosten
11. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, voor zover aangevallen.
12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Pistoor, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pistoor
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
1044
BIJLAGE
Artikel 3.1 van de IOV
Lid 1
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder bestemmingsplan tevens begrepen:
[…]
c. een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken;
[…]
Artikel 3.73 van de IOV
Lid 1
Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:
1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;
2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.
[…]
Bestemmingsplan "Buitengebied, herziening Schijndelsedijk 14a Boxtel" van de gemeente Boxtel
Artikel 3.1
De voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. de uitoefening van het agrarische bedrijf, niet zijnde een veehouderij, met dien verstande dat:
1. per bestemmingsvlak ten hoogste één agrarisch bedrijf is toegestaan;
2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf' tevens de volgende nevenactiviteiten zijn toegestaan:
• een caravanstalling tot maximaal 510 m2;
• uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - ondergeschikt' een boerenterras tot maximaal 100 m2 met een slechtweervoorziening tot maximaal 40 m2;
• een agrarisch technisch hulpbedrijf voor de verhuur van landbouwwerktuigen tot 400 m2 (inclusief reparatie voor derden);
[…]