AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Minister mag weigering tot wissing persoonsgegevens in Fraude Signalering Voorziening handhaven
De minister van Financiën weigerde het verzoek van verzoeker om rectificatie en wissing van zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) op grond van de AVG. De rechtbank verklaarde dit besluit onrechtmatig en beval wissing van de gegevens.
De minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat de verwerking van persoonsgegevens in de FSV noodzakelijk is voor taken van algemeen belang, waaronder het herstel van onrechtmatige nadelige gevolgen en verantwoording over de FSV. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgde dit standpunt en oordeelde dat de weigering tot wissing evenredig is, mede gezien de genomen maatregelen om verdere verwerking te beperken.
Daarnaast stelde verzoeker dat zijn persoonsgegevens onjuist waren en dat rectificatie daarom vereist was. De Afdeling oordeelde dat verzoeker niet had geconcretiseerd welke gegevens onjuist waren en dat het recht op rectificatie niet ziet op zuivering van de naam, maar op correctie van onjuiste of onvolledige gegevens.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de wissing betrof, en verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De minister mag het verzoek tot wissing van persoonsgegevens in de FSV weigeren omdat de verwerking noodzakelijk is voor taken van algemeen belang.
Uitspraak
202403830/1/A3.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Financiën,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 mei 2024 in zaak nr. 22/5040 in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2022 heeft de minister het verzoek van [verzoeker] op grond van de artikelen 16 en 17 van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) om rectificatie en wissing van zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) afgewezen.
Bij besluit van 24 augustus 2022 heeft de minister het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 mei 2024 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit, voor zover dat over het wissingsverzoek gaat, vernietigd, het besluit van 30 maart 2022 in zoverre herroepen, en bepaald dat de minister binnen een maand na verzending van de uitspraak de persoonsgegevens van [verzoeker] in de FSV wist.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere inlichtingen gegeven.
[verzoeker] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 mei 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. I.A. Huppertz, is verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Inleiding
2. Bij brief van 4 februari 2022 heeft [verzoeker] verzocht om, voor zover in hoger beroep van belang, rectificatie en wissing van zijn persoonsgegevens in de FSV. Bij het besluit van 30 maart 2022 heeft de minister dit verzoek afgewezen. De minister heeft het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft onder verwijzing naar haar uitspraak van 6 juli 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:7865, geoordeeld dat de minister wissing van de persoonsgegevens niet heeft mogen weigeren. Volgens de rechtbank valt wat de minister ten grondslag heeft gelegd aan zijn weigering niet onder een van de uitzonderingsgronden van artikel 17, derde lid, van de AVG.
Hoger beroep
4. De minister is het niet eens met dit oordeel van de rechtbank. Hij voert aan dat hij zich terecht op artikel 17, derde lid, van de AVG heeft beroepen.
4.1. In de uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:226, heeft de Afdeling de rechtsvraag die ook hier aan de orde is, beantwoord. In die uitspraak, onder 11 tot en met 12.2, heeft de Afdeling geoordeeld dat verwerking van de persoonsgegevens in de FSV voorlopig noodzakelijk is voor de vervulling van taken van algemeen belang. Die taken van algemeen belang zijn het herstel van de onrechtmatige nadelige gevolgen van de FSV en het afleggen van verantwoording in algemene zin over de FSV en de gevolgen daarvan. Daarbij heeft de Afdeling de uitspraak van 6 juli 2023, waarnaar de rechtbank in deze zaak heeft verwezen, vernietigd voor zover het gaat om de weigering van de minister om persoonsgegevens wissen.
In de uitspraak van 14 januari 2026, onder 12.4, heeft de Afdeling verder geoordeeld dat het weigeren van de wissing in het daar voorliggende geval evenredig is. Ook in het geval van [verzoeker] komt de Afdeling gelet op wat hij daartoe heeft aangevoerd tot die conclusie. Dat zijn persoonsgegevens ten onrechte in de FSV zijn verwerkt, maakt de weigering om die gegevens te wissen, mede gelet op de maatregelen die de minister heeft genomen om de verdere verwerking ervan te beperken, niet onevenredig.
4.2. Het voorgaande betekent dat de minister het verzoek om wissing heeft mogen afwijzen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Het betoog slaagt.
5. Het hoger beroep van de minister is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank het door [verzoeker] tegen het besluit van 24 augustus 2022 ingestelde beroep gegrond heeft verklaard, dat besluit, voor zover dat over het wissingsverzoek gaat, heeft vernietigd, het besluit van 30 maart 2022 in zoverre heeft herroepen en heeft bepaald dat de minister binnen een maand na verzending van de uitspraak de persoonsgegevens van [verzoeker] in de FSV wist.
De Afdeling beoordeelt hierna het beroep van [verzoeker]. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Beroep van [verzoeker]
6. [verzoeker] betoogt dat de minister ten onrechte zijn verzoek om rectificatie van zijn persoonsgegevens in de FSV heeft afgewezen.
6.1. Ingevolge artikel 16 vanPro de AVG heeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. [verzoeker] heeft niet geconcretiseerd wat onjuist is aan zijn in de FSV geregistreerde persoonsgegevens. [verzoeker] wil met zijn rectificatieverzoek bereiken dat zijn naam wordt gezuiverd. Daar geeft de AVG daar geen recht op. Het rectificatierecht op de voet van de AVG ziet alleen op het corrigeren of aanvullen van onjuiste of onvolledige verwerkte persoonsgegevens van een betrokkene. De minister heeft daarom het rectificatieverzoek mogen afwijzen.
Het betoog slaagt niet.
7. Het beroep is ongegrond.
8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 mei 2024 in zaak nr. 22/5040, voor zover de rechtbank het door [verzoeker] tegen het besluit van 24 augustus 2022 ingestelde beroep gegrond heeft verklaard, dat besluit, voor zover dat over het wissingsverzoek gaat, heeft vernietigd, het besluit van 30 maart 2022 in zoverre heeft herroepen en heeft bepaald dat de minister binnen een maand na verzending van de uitspraak de persoonsgegevens van [verzoeker] in de FSV wist;
III. verklaart het beroep in die zaak ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. W. den Ouden en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
620-1114
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Algemene verordening gegevensbescherming
Artikel 16
De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. Met inachtneming van de doeleinden van de verwerking heeft de betrokkene het recht vervollediging van onvolledige persoonsgegevens te verkrijgen, onder meer door een aanvullende verklaring te verstrekken.
Artikel 17, eerste en derde lid
1. De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is:
a) de persoonsgegevens zijn niet langer nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt;
[…]
d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt;
[…]
3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is:
[…]
b) voor het nakomen van een in een het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend;