ECLI:NL:RVS:2026:955

Raad van State

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
BRS.25.002733
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 56 Vw 2000Art. 84 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel

Bij besluit van 29 juli 2025 legde de minister van Asiel en Migratie aan appellant een vrijheidsbeperkende maatregel op. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die zich op 22 december 2025 onbevoegd verklaarde om van het beroep kennis te nemen. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep openstaat tegen het oordeel van de rechtbank over de voortduring van de vrijheidsbeperkende maatregel. Het hoger beroep kan slechts worden doorbroken indien sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces, hetgeen hier niet aan de orde was.

Daarom verklaarde de Raad van State zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van mr. H.G. Sevenster op 23 februari 2026.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen tegen de vrijheidsbeperkende maatregel.

Uitspraak

BRS.25.002733
Datum uitspraak: 23 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 22 december 2025 in zaak nr. NL25.59003 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 29 juli 2025 heeft de minister appellant een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 22 december 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het opnieuw daartegen door appellant ingestelde beroep kennis te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verbaas, advocaat in Alkmaar, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.        De grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over een vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 56 van Pro de Vw 2000). De rechtbank heeft overwogen dat er geen wettelijke grondslag bestaat om de voortduring van de vrijheidsbeperkende maatregel te toetsen, dat appellant bij de minister een verzoek om opheffing van die maatregel kan indienen en dat daartegen bezwaar en beroep openstaat. Tegen dat oordeel kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
1.1.        Wat appellant in het hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.
2.        De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026
941-1151