AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning asiel wegens nationale veiligheidsrisico's
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 19 juli 2019 de verblijfsvergunning asiel van appellant ingetrokken, hem opgedragen de EU te verlaten en een inreisverbod opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het ambtsbericht van de AIVD op objectieve en inzichtelijke wijze aantoont dat appellant zich bij aankomst in Nederland van een alias heeft bediend en een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Appellant bracht geen concrete aanwijzingen naar voren die de juistheid of zorgvuldigheid van het ambtsbericht in twijfel trekken.
Verder oordeelt de Afdeling dat appellant geen aannemelijk risico loopt op een schending van artikel 3 EVRMPro bij terugkeer naar Syrië, mede omdat hij vrijwillig met een Syrisch reisdocument is teruggekeerd. Ook de betwisting van de rechtmatigheid van het Schengeninformatiesysteem en het inreisverbod faalt.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Daarnaast wordt appellant een schadevergoeding van €3.000 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van bijna drie jaar in de beroeps- en hogerberoepsfase. Tevens worden proceskosten van €467 toegewezen aan appellant, te betalen door de Staat.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning asiel bevestigd, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
202206080/1/V3.
Datum uitspraak: 20 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 28 september 2022 in zaak nr. NL19.22002 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 19 juli 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 28 september 2022 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Kiliç-Arslan, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 8 mei 2025 heeft de minister het besluit van 19 juli 2019 gewijzigd.
Appellant heeft daartegen bij de Afdeling beroepsgronden ingediend.
De minister en appellant hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
Hoger beroep
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het individueel ambtsbericht van de AIVD op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze inzicht geeft in de feiten en omstandigheden op basis waarvan de AIVD tot de conclusie is gekomen dat appellant zich bij aankomst in Nederland van een alias heeft bediend en een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, en dat deze conclusie zonder nadere toelichting niet onbegrijpelijk is. De minister heeft dit ambtsbericht daarom aan haar besluitvorming ten grondslag mogen leggen. Appellant heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het ambtsbericht, of aan de juistheid of volledigheid daarvan, naar voren gebracht. Net als de rechtbank ziet de Afdeling tot slot geen grond voor het oordeel dat de strafrechtelijke procedure eerst geheel moet zijn afgerond voordat van de juistheid van het ambtsbericht kan worden uitgegaan. Appellant heeft dit verder ook niet uitgelegd.
1.1. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De Afdeling neemt verder de motivering onder 9.4 tot en met 9.12 van de uitspraak van de rechtbank over. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie hoger beroep
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Het besluit van 8 mei 2025
3. Bij besluit van 8 mei 2025 heeft de minister het besluit van 19 juli 2019 gewijzigd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 vanPro de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
4. Appellant heeft de Europese Unie op 9 juli 2025 verlaten door met een door de Syrische overheid verstrekt reisdocument vrijwillig terug te keren naar Syrië. Door te voldoen aan de verplichting tot terugkeer is het terugkeerbesluit van 8 mei 2025 uitgewerkt. Appellant heeft desalniettemin belang bij een oordeel over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit. Dat volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1178, onder 4. Het beroep van appellant is daarom ontvankelijk.
5. Appellant heeft beroepsgronden tegen het besluit van 8 mei 2025 naar voren gebracht, die de Afdeling hieronder bespreekt.
6. Appellant betoogt tevergeefs dat hij in Syrië nog steeds een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 vanPro het EVRM. De minister heeft er in het besluit terecht op gewezen dat appellant heeft verklaard dat hij terug wenst te keren naar Syrië als het veilig is en dat hij de leider van het huidige regime in Syrië persoonlijk kent. De Afdeling betrekt daarbij dat appellant met een door de Syrische autoriteiten verstrekt reisdocument vrijwillig is teruggekeerd en dat hij heeft verklaard dat hij een rol ambieert in een stabiel politiek Syrië. Appellant heeft niet uitgelegd waaruit volgt dat hij desondanks een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 vanPro het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Appellant betoogt ook tevergeefs dat de diplomatieke betrekkingen tussen Syrië en de rest van de wereld verbeteren en dat het huidige regime niet langer een dreiging vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid, zodat het besluit juridische grondslag mist. De minister heeft aan haar besluitvorming het individueel ambtsbericht van de AIVD ten grondslag gelegd. Dat ambtsbericht heeft betrekking op specifieke gedragingen van appellant en niet op het voormalige Syrische regime. Zoals de Afdeling onder 1 heeft overwogen, mocht de minister op basis van de informatie in het ambtsbericht tot de conclusie komen dat van appellant een dreiging voor de openbare orde en nationale veiligheid uitgaat. Wat appellant aanvoert over de rechtmatigheid van zijn strafrechtelijke procedure behoeft geen bespreking, omdat dit buiten de grenzen van dit geding valt. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Appellant betoogt verder tevergeefs dat de signalering in het Schengeninformatiesysteem in strijd is met zijn recht op privéleven, bedoeld in artikel 8 vanPro het EVRM, omdat hij er belang bij heeft om zijn vrienden en familie in Nederland en Duitsland te bezoeken. De minister heeft er terecht op gewezen dat appellant zijn werkgerelateerde of persoonlijke ambities in het Schengengebied niet heeft gemotiveerd. De minister heeft daarbij ook terecht betrokken dat appellant tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat zijn familie en vrienden geen reden zijn om in Nederland te blijven. Omdat appellant geen andere omstandigheden naar voren heeft gebracht en de eerdergenoemde dreiging van hem uitgaat, heeft de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om af te zien van het nemen van een terugkeerbesluit en het uitvaardigen van een inreisverbod. De beroepsgrond slaagt niet.
9. De Afdeling verklaart het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 8 mei 2025 ongegrond.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
10. Appellant heeft in zijn beroepsgronden tegen het besluit van 8 mei 2025 een verzoek gedaan om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Appellant wijst erop dat hij sinds 2018 in onzekerheid verkeert over zijn verblijfsstatus in Nederland.
10.1. Als uitgangspunt geldt dat in zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan, een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is. Als er geen bezwaarfase is, dan begint deze termijn met het instellen van het beroep. Zowel de rechtbank als de Afdeling heeft ieder in beginsel twee jaar de tijd om uitspraak te doen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3889, onder 3.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT7410, volgt dat ook in geval van intrekking van een verblijfsvergunning asiel de redelijke termijn aanvangt op het moment dat betrokkene beroep instelt tegen het besluit waarbij die intrekking heeft plaatsgevonden.
10.2. Appellant heeft op 22 juli 2019 beroep ingesteld tegen het besluit van 19 juli 2019. De totale redelijke termijn begon daarmee vanaf die dag te lopen en verliep op 22 juli 2023. De rechtbank heeft op 28 september 2022 uitspraak gedaan, zodat de termijn voor het behandelen van het beroep, gerekend vanaf de datum van het instellen daarvan, ruim drie jaar heeft geduurd. Daarmee heeft de rechtbank de termijn voor het behandelen van het beroep met ruim een jaar overschreden.
10.3. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de indiening van het hogerberoepschrift op 20 oktober 2022 tot aan de uitspraak van de Afdeling ruim drie jaar geduurd. Daarmee heeft de Afdeling de termijn voor het behandelen van het hoger beroep met bijna anderhalf jaar overschreden.
10.4. De redelijke termijn voor de beroeps- en hogerberoepsfase gezamenlijk is met bijna drie jaar overschreden. Bij een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, bedraagt de aan appellant toe te kennen schadevergoeding € 3.000,00. Omdat de overschrijding geheel aan de rechtbank en de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade uitgesproken ten laste van de Staat. De minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties moeten samen de proceskosten vergoeden van het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling stelt deze vast op € 467,00 (1 punt met wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 8 mei 2025 ongegrond;
III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling aan appellant van een schadevergoeding van € 3.000,00 (€ 1.354,86 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 1.645,16 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties);
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00 (€ 233,50 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 233,50 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.