ECLI:NL:RVS:2026:973

Raad van State

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
BRS.25.000122
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek appellant met onbekende bestemming

Appellant heeft bij besluit van 28 november 2024 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. Vervolgens nam de minister op 17 januari 2025 een aanvullend terugkeerbesluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond voor het afwijzingsbesluit en gegrond voor het terugkeerbesluit, waarbij het terugkeerbesluit werd vernietigd.

Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure informeerde de minister dat appellant met onbekende bestemming Nederland had verlaten. De gemachtigde van appellant gaf geen reactie over contact met appellant, waaruit de Afdeling concludeerde dat appellant geen bescherming meer zoekt in Nederland.

Op grond hiervan oordeelde de Afdeling dat appellant geen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer op 27 februari 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant met onbekende bestemming is vertrokken en geen belang meer heeft bij de procedure.

Uitspraak

BRS.25.000122
Datum uitspraak: 27 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 29 januari 2025 in zaak nr. NL24.48559 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 28 november 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 17 januari 2025 heeft de minister een aanvullend terugkeerbesluit genomen.
Bij uitspraak van 29 januari 2025 heeft de rechtbank het door de appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard voor zover gericht tegen het besluit van 28 november 2024 en gegrond verklaard voor zover gericht tegen het aanvullend terugkeerbesluit van 17 januari 2025, en dat aanvullend terugkeerbesluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. W.N. van der Voet, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.
Overwegingen
1.        De minister heeft de Afdeling laten weten dat appellant met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van appellant heeft in zijn reactie niet laten weten dat hij nog contact heeft met appellant. Daaruit leidt de Afdeling af dat appellant niet langer bescherming in Nederland zoekt. Daarom heeft appellant geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep.
2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Bekhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026
959