Verzoekster is eigenaar van een appartementsrecht met een woning op de tweede verdieping, een kamer op de vierde verdieping en een berging op de vijfde verdieping. Zij heeft de berging verbouwd tot woonruimte en een kast geplaatst in de gemeenschappelijke gang op de vierde verdieping zonder toestemming van de Vereniging van Eigenaars (VvE).
De VvE heeft bezwaar gemaakt en verzocht om verwijdering van de kast en het beëindigen van het gebruik van de berging als woonruimte. Verzoekster vroeg de kantonrechter om vervangende machtiging voor het gebruik van de berging als woonruimte en het plaatsen van de kast, stellende dat de VvE haar toestemming zonder redelijke grond weigert.
De kantonrechter oordeelt dat de splitsingsakte de berging op de vijfde verdieping als berging bestempelt en niet als woonruimte, maar dat het gebruik als woonruimte niet in strijd is met de woonbestemming van het gehele appartementsrecht. De weigering van de VvE is zonder redelijke grond, mede gelet op de bouwkundige situatie en het huishoudelijk reglement dat overlast beperkt.
Ook het plaatsen van de kast in de gemeenschappelijke gang is toegestaan, omdat het een klein deel betreft dat niet door anderen wordt gebruikt en de VvE niet optreedt tegen een vergelijkbare situatie elders in het gebouw.
De kantonrechter verleent daarom de vervangende machtigingen aan verzoekster en wijst de tegenverzoeken van de VvE af. De VvE wordt veroordeeld in de proceskosten.