ECLI:NL:CBB:2005:AT4971
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- M.A. van der Ham
- J.L.W. Aerts
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid ondertoezichtplaatsing varkensbedrijven wegens aanwezigheid verboden stoffen
Appellanten, exploitanten van varkenshouderijen, werden onder toezicht geplaatst vanwege de aanwezigheid van medroxyprogesteronacetaat (MPA), een verboden stof met gestagene werking, in het diervoeder geleverd aan hun bedrijven. De ondertoezichtplaatsing (OTP) was gebaseerd op Richtlijnen 96/22/EG en 96/23/EG en de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten, die haar wettelijke grondslag vindt in artikel 19 van Pro de Landbouwwet.
Appellanten voerden onder meer aan dat de Regeling onvolledig en onrechtmatig was geïmplementeerd, dat de bevoegdheid tot oplegging van de OTP was overgedragen aan het Produktschap voor Vee en Vlees, en dat het onderzoek naar MPA niet voldeed aan de richtlijnvereisten. Ook werd betoogd dat de OTP onrechtmatig was vanwege het ontbreken van een juiste bekendmaking en dat de maatregel onevenredig was en schadevergoeding behoefde.
Het College oordeelde dat de Regeling rechtsgeldig is en dat de minister bevoegd was de OTP op te leggen. De aanwezigheid van MPA in het voer en de toediening aan de dieren was voldoende vastgesteld, zodat de OTP terecht werd opgelegd. De wijze van bekendmaking was correct en de negatieve resultaten van niervetonderzoek deden niet af aan de rechtmatigheid van de maatregel. Het College verwierp het beroep ook vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang van sommige appellanten en bevestigde dat de OTP tot het normale ondernemersrisico behoort, waardoor geen compensatieplicht bestaat.
Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en het College zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de ondertoezichtplaatsing wegens aanwezigheid van verboden stoffen wordt ongegrond verklaard.